Wachttijden

Het is spijtig dat columnist Bomhoff in zijn bijdrage van 22 september `Wachttijden geen zaak van ambtenaren', een beeld oproept dat Den Haag nog steeds alles centraal probeert op te leggen aan het veld. Hij gaat daarmee voorbij aan belangrijke stappen die zijn gezet om meer speelruimte aan verzekeraars en zorgaanbieders te geven.

Met betrekking tot de beleidsvoornemens voor de toekomst verwijs ik naar recente nota's die zijn verschenen over de modernisering van de cure en de care. Ook de recente kabinetsnota over de stelselherziening Vraag aan bod behandelt uitgebreid de ontwikkeling om nu juist meer verantwoordelijkheden aan het veld te geven. De normen voor wachttijden zoals we die nu kennen zijn geen normen van Haagse bureaucraten, zoals Bomhoff suggereert. Deze zogenoemde Treeknormen zijn juist door zorgverzekeraars, zorgaanbieders en patiënten opgesteld.

Bomhoff suggereert vervolgens dat de reële groei in de zorgsector (de groei gecorrigeerd met de prijsontwikkeling van het bruto binnenlands product) met 3,5 pct vooral wordt gerealiseerd dankzij het onder de Ziekenfondswet brengen van de kleine zelfstandigen. Nu is dat laatste inderdaad gebeurd, maar bij de berekening van het reële groeicijfer van 3,5 pct is daarvoor gecorrigeerd. Van enige misleiding, althans van de zijde van het kabinet, is dan ook geen sprake.

Ook doet Bomhoff nogal schamper over de volumegroei die sinds 1994 is gerealiseerd (de groei gecorrigeerd met de prijsontwikkeling in de zorgsector zelf). Deze bedraagt volgens zijn berekening 2,4 pct. De groei blijft daarmee achter bij de economische groei van de afgelopen jaren. Dat is op zichzelf geen fenomeen waar een gerespecteerd econoom zich zorgen over zou moeten maken, maar een volstrekt normaal verschijnsel in een periode van hoogconjunctuur. Voor dit jaar en volgend jaar zien we het omgekeerde beeld: de economische groei valt lager uit dan de groei van de zorguitgaven. De zorgsector is nu eenmaal betrekkelijk ongevoelig voor conjuncturele schommelingen.

Ten slotte vraagt Bomhoff zich af waar de impuls van 3,3 miljard euro voor de zorg blijft. Volgens een onduidelijke berekening van Bomhoff blijft er reëel 0,9 miljard van over als men corrigeert voor de inflatie. Voor de goede orde: het bedrag van 3,3 miljard euro (zoals weergegeven in tabel 3.4.1 van de Miljoenennota) geeft de extra volume-impuls ten opzichte van 1998 weer (en komt nog bovenop de demografische volumegroei die ook al ruim 1 miljard euro bedraagt). Bomhoff had zich de moeite van het corrigeren van dit bedrag dus kunnen besparen! Tussen 1998 en 2002 stijgen de zorguitgaven overigens nog eens 5 miljard euro om de gevolgen van de inflatie op te vangen. Het zijn, kortom, forse bedragen die naar de zorg zijn gegaan. Bedragen die goed zijn besteed, aan meer en betere zorg, en aan betere salarissen voor de werkenden in de zorg. In tabel 1 van de Zorgnota 2002 is dat overigens allemaal terug te vinden.