Ook in de economie is niets perfect

Perfecte markten zijn een zeldzaamheid, en soms zijn ze ook niet gewenst. De drie winnaars van de Nobelprijs voor de economie veroorzaakten met deze veronderstelling een revolutie, die vandaag de dag actueler is dan ooit.

Het geldt voor citroenen, voor tweedehands auto`s, voor de arbeidsmarkt en voor verzekeringen. En het geldt al helemaal voor de financiële markten. De perfecte markt, waarin kopers en verkopers allemaal over volledige informatie beschikken, bestaat zelden of nooit. Imperfectie en asymmetrie zijn juist regel.

Neem een brandverzekeringsmaatschappij die niet weet welke klanten het niet zo nauw nemen met hun brandrisico, en welke juist voorzorgsmaatregelen treffen. Als die klanten allemaal dezelfde premie moeten betalen, dan zullen uiteindelijk de meest riskante verzekerden toevloeien. De verzekeringsmaatschappij zal meer moeten uitkeren en dus óf failliet gaan, óf zijn premies sterk moeten verhogen. Waardoor de `zekere' klanten wegblijven en het risicoprofiel steeds verder stijgt.

Op een markt voor citroenen waar alle producten tegen één prijs worden verkocht, zullen de producenten van de beste citroenen hun product weghouden, waardoor de gemiddelde kwaliteit daalt en de prijzen zakken, en de markt instort. Vandaar dat er verschillende kwaliteiten citroenen worden verhandeld.

En vandaar dat verzekeringsmaatschappijen premiedifferentiatie toepassen of eigen risico's introduceren. Andersom kan het onthouden van informatie of het niét differentiëren van premies soms nodig zijn om een imperfecte markt moedwillig in stand te houden. Bijvoorbeeld vanuit solidariteit tussen kansrijken en kansarmen, of tussen verzekerden.

Het bestaan van imperfecte markten lijkt logisch, maar tot ver in de jaren zestig werkte de economische wetenschap met het axioma dat de `perfecte markt' ideaal was. Het baanbrekende werk van de Amerikanen George A. Akerlof (61 jaar, Universiteit van Californië, Berkeley) A. Michael Spence (58 jaar, Stanford Universiteit) en Joseph E. Stiglitz (58 jaar, Columbia Universiteit) bracht daar in de jaren zeventig verandering in. Aan de drie economen werd gisteren de Nobelprijs voor de economie toegekend door de Zweedse Koninklijke Zweedse Academie voor Wetenschappen. De Academie roemt hen ,,voor hun analyse van markten met asymmetrische informatie''.

De klassieke economische theorie gaat uit van zogenoemde transparante markten waarop vragers en aanbieders `open kaart spelen'. In zijn `Information and Competitive Price Systems' bewees Stiglitz in 1976 dat deze veronderstelling op drijfzand is gebouwd. Een transparant systeem van vraag en aanbod bestaat niet, en de daaraan gekoppelde veronderstelling dat competitie resulteert in een optimale welvaartsverdeling gaat niet op.

Spence heeft onder meer onderzoek gedaan naar de relatie tussen werkloosheid en informatie. Zijn dissertatie werkte hij uit in het boek `Market Signaling: Information Transfer in Hiring and Related Screening' (1974). Werkgevers en werknemers, verzekeringsmaatschappijen en hun cliënten, alle vragers en aanbieders treffen elkaar op een markt die bijna nooit in evenwicht is omdat er informatie wordt achtergehouden.

Werkloosheid komt volgens Spence niet voor in een systeem waarin een zogenoemd informatie-evenwicht is, maar zo'n systeem is een onhaalbaar ideaal.

Akerlof heeft in de jaren zeventig veel onderzoek gedaan naar informatie, verzekeren en solidariteit. Oudere mensen kunnen nooit een ziektekostenverzekering afsluiten tegen een redelijke premie want ze maken relatief veel gebruik van medische voorzieningen. Deze informatie in bezit van de verzekeringsmaatschappij duwt de premie voor ouderen omhoog. En wanneer een vorm van solidariteit ontbreekt wordt een ziektekostenverzekering voor veel ouderen onbetaalbaar. `Perfecte' informatie kan dus een maatschappelijk ongewenst effect hebben – in dit geval veel onverzekerde ouderen – en dat kan volgens Akerlof een reden voor overheidsingrijpen zijn.

De verandering in het denken over de markt die de drie hebben bevorderd, is vandaag in veel opzichten terug te zien. Het debat over het inwinnen van persoonlijke informatie door verzekeraars (denk aan genetisch onderzoek) is er een voorbeeld van. Maar ook alle maatregelen op het gebied van het verstrekken van gelijke informatie aan alle deelnemers op de beurzen, en het verbod op het handelen met voorinformatie door ondernemingsbestuurders. Het adagium is om óf de asymmetrie op de markt zelf te bestrijden, óf er voor te zorgen dat de oorzaak van de asymmetrie de kop wordt ingedrukt.

In dit licht moet de kritiek van de bekendste econoom van de drie, Stiglitz, op de economische receptuur van de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds (IMF) worden gezien. Stiglitz, tot 1998 chef-econoom van de Wereldbank, uitte zware bedenkingen tegen sommige vooronderstellingen over de vrije markt waarmee deze organisaties destijds de Azië-crisis te lijf gingen. Met name de eis voor de liberalisatie van het snelle, kortlopende internationale kapitaalverkeer, werd door hem beschouwd als een voorname bron van imperfectie. Evenals de daardoor noodzakelijke steunpakketten van tientallen miljarden dollars, die er voor zorgden dat de kapitaalverschaffers verwachtten uiteindelijk toch wel te zullen worden gered.

Stiglitz' kritiek, die hem er toe bracht terug te keren naar de wetenschappelijke wereld om zich `vrijer te kunnen uiten', gaf hem bijna de status van een – onvrijwillige – ikoon van de antiglobaliseringsbeweging. Dat geeft de toekenning van de Nobelprijs een actueel tintje, dat de Koninklijke Academie niet zal zijn ontgaan.