Kooppaleizen

De eerste warenhuizen golden als topattracties met hun lichtkoepels, mooie trappen en beeldhouwwerk. Het boek `Winkelen in weelde' schetst de opkomst, de gloriedagen en de huidige bescheiden rol van de Westeuropese kooppaleizen.

Je zou het niet zeggen als je door het goederenpaleis aan Brompton Road loopt, maar het Londense warenhuis Harrod's was in zijn beginjaren een noodlijdende grossierderij annex levensmiddelenzaak. Nadat de zaak in 1849 was verkocht aan Henry Charles Harrod hielp de geschiedenis een handje: door de wereldtentoonstelling van 1851, in het nabijgelegen Hyde Park, expandeerde het buurtschap Brompton en Harrods winkel groeide mee. In 1889 had de zaak een omzet van 500.000 pond per jaar. Maar de grossierderij annex levensmiddelenzaak bleef altijd bestaan, in de vorm van de legendarische foodhall.

Een eenvoudige start kenmerkt de geschiedenis van de meeste warenhuizen in West-Europa, zo valt te lezen in het onlangs verschenen boek `Winkelen in weelde, warenhuizen in West-Europa 1860-2000' van auteur Roger Miellet en co-auteur Marieke Voorn. Zo was Magazijn De Bijenkorf (1870) een onopvallend winkeltje in garen en band aan de Nieuwendijk in Amsterdam, dat pas rond 1900 tot bloei kwam. Zozeer zelfs, dat in 1913 werd besloten tot nieuwbouw op dezelfde locatie. Maar het liep anders: de omzet in de noodwinkel op het Beursplein was zo hoog, dat eigenaar Arthur Isaac besloot de nieuwe zaak aan het Damrak te laten bouwen. Innige contacten met het Duitse detailhandelsconcern Tietz brachten hem op het idee het groots aan te pakken en er een warenhuis van te maken.

Miellet, afkomstig uit een Frans koopmansgeslacht en werkzaam geweest bij Galeries Modernes en KBB, en Voorn beschrijven in dit informatieve en rijk geïllustreerde boek uitgebreid de geschiedenis van de Westerse kooppaleizen: van het Parijse Au Bon Marché 's werelds oudste warenhuis tot het Duitse Kaufhaus des Westens en van de tijd dat ze golden als ware attracties tot het moment dat de meeste warenhuizen slechts een klein onderdeel geworden waren van megaholdings. De auteurs gaan uitvoerig in op kleurrijke figuren als de Dreesmannen, de Selfridges en de Tietzen. Niet minder interessant zijn de vele oude foto's en advertenties, die laten zien hoe de inrichting van de Hema er in 1936 uitzag, hoe prachtig de eerste Bijenkorf aan de Coolsingel ooit was en dat vrijetijdskleding begin jaren '70 nog iets nieuws was.

Het begon allemaal in Parijs, waar het warenhuis zich ontwikkelde uit passages, bazars en modezaken. De eerste (houten) passage verscheen in 1784 bij het Palais Royal en was een initiatief van de in geldnood verkerende graaf van Orléans. De galerij, die in zekere zin nog steeds bestaat, had aan weerszijden luxe winkeltjes en horeca en viel erg in de smaak bij de beau monde, die hier geen last had van straatvuil en bedelaars.

Al snel werden de passages luxer en luxer: met spiegels, schilderingen, zuilen en zelfs verwarming. Nederland heeft maar twee passages gekend: de nog altijd bestaande Haagse (1885) en de kleinere Rotterdamse passage (1879), tussen de Korte Hoogstraat en de Coolvest, die in de oorlog werd weggevaagd.

Maar ook de uitdijende modezaken, de opkomst van bazars grote ruimtes waarin kleine eenheden werden verhuurd aan kraamhouders of winkeliers en de door baron Haussmann vernieuwde plattegrond van Parijs maakten de tijd rijp voor warenhuizen: door de brede boulevards en pleinen ontstond ruimte voor grootschalige commercie, bovendien trok het vernieuwde Parijs rijke burgers aan.

De verkoopstrategie van enkele grote modezaken lage prijzen, hogere omzet, hogere winst leidde medio 19de eeuw rechtstreeks tot de oprichting van de grands magasins: de lage prijzen trokken koopjesjagers aan, wat de winkeliers op het idee bracht om het assortiment aan te vullen met andere producten. Au Bon Marché was in 1852 het eerste warenhuis ter wereld, gevolgd door Les Grands Magasins du Louvre en Au Printemps.

De eerste warenhuizen golden als topattracties: met hun lichtkoepels, mooie trappen en beeldhouwwerk deden ze denken aan de galeries waar de aparte winkels plaats hadden gemaakt voor afdelingen een aantal noemde zich dan ook Galeries. Ook de eerste liften en roltrappen trokken drommen mensen: Harrod's moest in 1898, nadat de eerste roltrap was geïnstalleerd, een employé bovenaan klaarzetten om sommige al te opgewonden cliënten bij te brengen met vlugzout of een cognacje. De overheadkosten van de warenhuizen moeten enorm geweest zijn: alleen al de elektrische verlichting van Au Bon Marché vergde een onderhoudsdienst van dertig man. Om maar niet te spreken van de stallen, waar de 150 paarden van de (gratis) bezorgdienst stonden.

Het personeelsbeleid van de warenhuizen leek in de verste verte nog niet op dat van tegenwoordig. Omdat de werktijden lang waren vaak had men maar een halve dag vrij per week woonde het meeste personeel intern, op de zolder van het warenhuis. Men had gewoon geen tijd voor woonwerkverkeer. Zitten of zelfs maar leunen was gedurende de lange werkdagen ten strengste verboden. Daar stond tegenover dat bijvoorbeeld bij V & D het mannelijk personeel na sluitingstijd een biertje kreeg en de dames een glas melk.

Ook buiten werktijd werd het personeel goed in de gaten gehouden: bij de warenhuizen van katholieke oorsprong, zoals Vroom & Dreesmann, was het gewoonte dat men op zondag in het kielzog van de werkgever ter kerke ging. Op de slaapzaal hing een biechtrooster. Rond 1920 werden de meeste internaten opgeheven: er kwam te veel personeel.

De paternalistische houding van veel werkgevers had ook goede kanten: zo stelde het echtpaar Boucicaut, grondleggers van Au Bon Marché, als een van de eersten een pensioenfonds in en liet de weduwe het totale aandelenpakket na aan het personeel. Ook het echtpaar Cognacq-Jay van het Parijse warenhuis La Samaritaine schonk veel aan het personeel en een flink deel van de aandelen is nog altijd in handen van de Fondation Cognacq-Jay. De kunstcollectie van het echtpaar werd geschonken aan de stad en is te zien in het naar hen vernoemde museum in de Marais.

Het relatief arme en ouderwetse Nederland maakte pas laat kennis met het fenomeen warenhuis. Weliswaar had de Duitser Anton Sinkel begin 19de eeuw een aantal winkels waar hij diverse goederen verkocht en ging in 1871 in Rotterdam de eerste Grand Bazar Français open (later Galeries Modernes), maar het eerste echte Nederlandse warenhuis was De Bijenkorf, in 1914.

De glorietijden van het warenhuis waren toen al voorbij. Er kwam steeds meer concurrentie van gespecialiseerde filiaalbedrijven (De Gruyter, C & A etc.) en zogeheten eenheidsprijsbedrijven, die het basisassortiment van de warenhuizen tegen lage, ronde prijzen verkochten (25 of 50 ct).

Een van de eerste eenheidsprijzenbedrijven ter wereld was Marks en Spencer. De Pools-joodse emigrant Michael Marks hanteerde in zijn marktkraam in Leeds maar één prijs: alles kostte 1 penny. Dit was geen beleid, maar noodzaak: Marks sprak geen woord Engels en wilde vragen van klanten voorkomen. Het legde hem geen windeieren en samen met compagnon Tom Spencer bezat hij rond 1900 24 marktkramen en 11 winkels onder de naam Penny Bazaar. Marks en Spencer werkten maar enkele jaren samen, maar de naam bleef altijd bestaan.

Steeds meer warenhuizen zetten een eigen eenheidsprijzendochter op: de Nouvelles Galeries in Frankrijk openden in 1928 Uniprix, Au Printemps begon met Prisunic en Les Galeries Lafayette had Monoprix. De Bijenkorf opende in 1926 de eerste Hema. Het inkopen was een probleem apart: de keuze van een artikel moest in één keer goed zijn, want afprijzen was lastig in een eenheidsprijzenwinkel. Al twee jaar na de opening werden dan ook de prijzen 10 ct, 75 ct en 1 gulden ingevoerd. Opmerkelijk is dat de Hema wel een gratis bezorgdienst had, net als alle andere warenhuizen overigens. Alleen droeg het autootje van de Hema geen naam, omdat niet alle klanten het op prijs stelden als de buren zagen dat ze bij de volkszaak kochten.

Zeker in de jaren '30 bloeiden de goedkope eensheidsprijzenwinkels, al werd de eenheidsprijs snel een probleem door inflatie en duurder wordende grondstoffen. Na de Tweede Wereldoorlog werden de eenheidsprijzen definitief afgeschaft.

Na de oorlog kregen de warenhuizen het er niet makkelijker op. Weliswaar was na de oorlog de vraag naar goederen enorm, maar er deden zich ook nieuwe, bedreigende ontwikkelingen voor: de zelfbediening deed haar intrede (bestond niet in de warenhuizen), gevolgd door de discount-supermarkt en het winkelcentrum. Weliswaar konden door de zelfbediening de personeelskosten omlaag, maar de winkelcentra en de auto hielden klanten ook weg uit het centrum van de steden. Om toch succesvol te blijven, omringden steeds meer warenhuisconcerns zich met wisselend succes met nieuwe werkmaatschappijen, zoals sportzaken en doe-het-zelfketens. Warenhuisdynastieën maakten plaats voor managers, marketeers en accountants die nog maar zelden op de werkvloer kwamen.

Eind 20ste eeuw is de economische en sociale rol van het eens zo glorieuze warenhuis drastisch ingeperkt. De drukbezette consument besteedt steeds minder tijd aan winkelen. Vrijetijdsbestedingen als sport, reizen en uitgaan zijn belangrijke concurrenten. De smaak van de consument wordt steeds grilliger, trends wisselen elkaar steeds sneller af, voor de warenhuizen is het nauwelijks bij te benen.

De meeste warenhuizen zijn minuscule onderdelen geworden van hun holding: Au Printemps bijvoorbeeld levert maar 4 procent van de omzet van het Pinault-Printemps-Redouteconcern. En ook De Bijenkorf speelt nog maar een bescheiden rol binnen het KBB-Vendex-concern.

Toch neigen de traditionele warenhuizen weer meer naar luxe, omdat begrippen als `verwennen', `genieten' en `funshoppen' anno 2001 voor velen belangrijker zijn dan een goedkoop product. Met de groeiende aandacht voor kleding, accessoires, mode en sterke merken, waarbij steeds meer warenhuizen overstappen op de Galeria-formule (ofwel shop in the shop), zijn de kooppaleizen van weleer min of meer teruggekeerd naar het tijdperk van de bazars en passages.

Winkelen in Weelde, warenhuizen in West-Europa 1860-2000. Roger Miellet en Marieke Voorn. Walburg pers. ISBN 90 5730 160 1. ƒ70,41