Het woord wint de oorlog

Oorlogen worden met woorden gewonnen. Winston Churchill heeft voor de Tweede Wereldoorlog destijds zelfs de Nobelprijs voor letterkunde mogen ontvangen wegens de welbespraakte manier waarop hij de vijand op de knieën had gedwongen. De jury roemde in haar rapport Sir Winstons trefzekere stijl, de ijzersterke karakterontwikkeling en natuurlijk de geraffineerde techniek waarmee de staatsman de werkelijkheid naar zijn hand had weten te zetten.

Wie het niet gelooft zoekt het thuis maar even op, in de Winkler Prins of anders op het internet onder www.nobelprize/churchill. com. Het staat er echt: Churchill kreeg de Nobelprijs niet voor de vrede, maar voor de literatuur.

Ik durf zelfs te stellen dat literaire criteria beslissend zijn in het internationale spel der krachten. In een geslaagde oorlog komt het aan op de verwoording. Waarvoor anders dan voor woorden zijn mensen bereid om te sterven? In de hele geschiedenis zie je dit merkwaardige verschijnsel. Om de raarste redenen breken er oorlogen uit, maar als de woorden niet klinken, wordt het niks.

De beste oorlogen zijn de best geformuleerde oorlogen. Neem de Tweede Wereldoorlog, niet alleen militair maar ook literair een hoogtepunt. Hier botsten niet alleen legers, maar ook poëticale opvattingen. Waar aan de ene kant het begrip `vrijheid' centraal stond, daar draaide het aan de andere kant om de term `zuiverheid'. Het waren begrippenapparaten die elkaar uitsloten, die zelfs niets met elkaar te maken hadden. Bracht je een woord van het ene begrippenapparaat over in het andere, dan werd het meteen geconverteerd. `Zuiverheid' werd dan `waan' zoals in `rassenwaan', zie ook `racisme'. En `vrijheid' veranderde in `zedenloosheid', zie ook `decadentie'.

Nog steeds, als ik in het vocabulaire uit die dagen verzeild raak, voel ik de retorische kracht. Bij sommige woorden (`vrijheid', `democratie') denk ik de Tweede Wereldoorlog er nog steeds als een ezelsbruggetje snel even bij omdat ik anders niet meer op hun betekenis kan komen.

Kortom, een schitterende oorlog waar menigeen een puntje aan kan zuigen.

Het jammere is, dat hij zo vaak is nageaapt. De overwinnaars zijn als het ware in hun eigen succes gaan geloven. Maar geen van hun latere oorlogen haalde het oude niveau. Technisch werd er misschien steeds meer uit de kast gehaald. Meer, duurder, groter betekent echter niet automatisch: beter. Al dat uiterlijk vertoon ging wellicht zelfs ten koste van de zeggingskracht.

Zo'n oorlog in Vietnam zag er misschien prachtig uit, met al die helikopters die af en aan vlogen en met straaljagers die precisiebombardementen uitvoerden op oude vrouwtjes, maar wat wilde men daar nou precies mee zeggen?

De oude retoriek klonk ineens niet meer zo overtuigend, terwijl er toch niet eens een komma aan was veranderd. Of misschien moet je zeggen: òmdat er niet eens een komma aan was veranderd. Woorden als `vrijheid' en `democratie' maakten op de een of andere manier niet meer zoveel indruk als vroeger. Sommige critici spraken inmiddels al over `clichés' en `loze terminologie'.

Ter verdediging zou ik hier willen aanvoeren dat er voor een beetje oorlog ook een vijand moet zijn. En daar ontbrak het wel eens aan. Het was zelfs zo somber gesteld dat men in arren moede de Russen benoemde tot het grootste kwaad op aarde, `Evil Empire', zoals president Reagan het uitdrukte zonder enig uitzicht op een Nobelprijs van wat voor aard dan ook.

Inmiddels is de fut er helemaal uit en betekenen woorden als `vrijheid' en `democratie' zo ongeveer alles wat de mensen zich maar kunnen voorstellen en dat is niet bijster veel, zodat ze neerkomen op `vrije markt' en `consumentenkeuze', want als je het zelf niet weet dan kun je het altijd nog proberen te kopen.

De oorlogen die nu worden gevoerd, zijn oorlogen waarin niemand meer in gelooft omdat er geen woorden meer zijn waar je in zou kunnen geloven.

Ook de staatsmannen die de durf hebben om met nieuwe woorden te experimenteren men denke hierbij aan de door premier Kok geijkte term `proportionaliteit' missen op voorhand, zo lijkt het, de vereiste bezieling.

Het frappante gevolg hiervan is dat de geallieerde bondgenoten het hun materiële wereldmacht nu machteloos staan tegenover één enkele man. Ze zullen die oorlog niet kunnen winnen, omdat die ene man al niet meer kan verliezen. Natuurlijk, ze kunnen met straaljagers weer eens precisiebombardementen op oude vrouwtjes gaan uitvoeren, maar `de heer Laden' (nogmaals een stilistische vondst van premier Kok) zullen ze met hun bommen niet kunnen raken, want hij woont daar al niet meer, in dat uitgemergelde land. Hij heeft zich allang veilig in de taal genesteld, net als dichters is hij in woorden gaan wonen.

Hij heeft zich daar een paleis van taal laten bouwen. Hoe meer er over hem gepraat wordt, des groter zijn hermitage wordt. Hij begon met niks en nu heeft hij al een paleis. Hij zal Amerika te gronde richten, en er zijn er al die hem geloven. Als ze een paleis voor hem kunnen bouwen, waarom zouden ze zichzelf dan niet te gronde richten voor hem?

P.F. Thomése is schrijver.