Expositie Jeroen Bosch

Het stoort mij dat in enkele negatieve recensies van de Bosch-tentoonstelling in Museum Boijmans, in buitenlandse kranten (naast een aantal positieve) een probleem is gemaakt van de aanwezigheid van vele `mindere' werken op de tentoonstelling (NRC Handelsblad, 3 oktober).

Hoewel ik weet dat kunsthistorici vaak hun neus ophalen voor kopieën en werken van navolgers, wordt hiermee geheel voorbijgegaan aan de iconografische rijkdom van veel van dat zelden getoonde materiaal.

Als ik de topstukken in het Prado wil zien, die om begrijpelijke redenen niet allemaal worden uitgeleend, dan kan ik inderdaad naar Madrid gaan. Maar wat ik in Rotterdam bij elkaar zie, zou ik zelf nooit op kunnen sporen. Bovendien heb ik nu een veel beter beeld van de context waarin Bosch werkte.

Ook ik heb in de waan geleefd dat hij geheel zelfstandig een nieuwe, hermetische iconografie had ontwikkeld, wat de bredere cultuurhistorische context van Bosch betreft was de tentoonstelling voor mij dan ook een eye-opener.

Het door veel kunsthistorici nog altijd geprefereerde stilistische onderzoek naar steeds dezelfde groep topstukken heeft wat kunstenaars als Bosch betreft volgens mij zijn tijd gehad.

Wat voor zin heeft het om voor de zoveelste keer een werk dat `uit de omgeving van' heet weer als eigenhandig te bestempelen, of om op stilistische gronden vier panelen van zeer verschillende dateringen te voorzien, als vervolgens door dendrochronologisch onderzoek blijkt dat ze in werkelijkheid ooit één geheel hebben gevormd? Het wordt volgens mij juist tijd om eens nieuwe wegen in te slaan bij de benadering van dit soort overgepubliceerde oude meesters. Het publiek stoort zich hier in ieder geval niet aan, gezien de nog steeds zwellende stroom bezoekers die mij het bekijken van de tentoonstelling op een doordeweekse ochtend bijna onmogelijk maakte.

Zeker voor de geïnteresseerde leek is kwaliteit kennelijk niet het enige geldige criterium.