Een plankje als een gemene haaienkop

Af en toe ging ik bij een houthandel langs om daar latten te laten zagen. Ik vond het leuk om te zien hoe Joop, de baas, de tafelzaag instelde en hoe de zaagschijf snerpend door de hele lengte van een plank heen vrat.

Wanneer Joop zo'n plank bijna helemaal door de machine had gehaald, kwamen zijn vingers aldoor griezelig dichtbij de ronddraaiende tanden. Gelukkig pakte hij altijd op het laatste moment een klein plankje en duwde hiermee het hout veilig verder. Dit `duwplankje' hoorde tot een van de vaste gebruiksvoorwerpen in de werkplaats en hing met een lus aan een haak naast een pin-upkalender. In de grillige vormen die zo ontstonden, herkende ik steeds allerlei

figuren. Op een keer leek het plankje bijvoorbeeld precies op een gemene haaienkop. Waarbij het gaatje voor de lus nu een oog voorstelde.

Toen ik een paar weken na deze observatie de zaak weer binnenliep, was de hele werkplaats grondig schoongemaakt en opnieuw ingericht. Het hout lag duidelijk gesorteerd in gloednieuwe stellingen. Op de kopse kanten van de balken en delen waren met viltstift de maten genoteerd. Je kon er zo in één keer de juiste maat uittrekken. Op een wand had Joop met zwarte verf de silhouetten van nijptangen en schroevendraaiers en dergelijke geschilderd en ieder instrument hing nu overzichtelijk aan een spijker op het bijbehorende silhouet.

En wie schetste mijn verbazing, ook het aangevreten duwplankje had zijn eigen silhouet gekregen. Joop had de contouren, inclusief haaienkop, precies overgetekend. Het plankje hing nu als een volwaardig gereedschap tussen de tangen en de beitels.

Maanden gingen voorbij. De zaagmachine hapte alsmaar meer hout van het duwplankje af. Telkens wanneer ik langs kwam, was het iets korter geworden. Ook de vorm bleef niet hetzelfde. Ik zag de haaienkop veranderen in een hand, de voorkant van een trein en een opengesperde hondenbek. Op het laatst was er nog maar een klein stukje hout over (zoiets als het nummer aan de sleutel van een hotelkamer). Een beetje verloren bungelde het aan de spijker op het nu veel te grote silhouet.

Toen ik op een dag weer wat kwam bestellen, hing het duwplankje er niet meer. Ik zag Joop ook nergens. Er stond nu een jongeman in de zaak te werken.

,,Is Joop er niet?'' vroeg ik.

,,Joooop!' brulde de jongeman boven de herrie van de draaiende machines uit.

Joop stak zijn hoofd buiten het kantoortje en hield de hoorn van een telefoon tegen zijn oor gedrukt.

Hij zwaaide. Om zijn duim gewikkeld zat een dot verband. Het gaas was geelbruin van het stof en tussen de pleisters zaten een paar opgedroogde bloedvlekken.