De geschiedenis loopt wel degelijk ten einde

De strijd waarvoor wij staan is niet de botsing van verschillende culturen, zoals Samuel Huntington wil doen geloven. De botsing bestaat uit achterhoedegevechten met samenlevingen wier traditionele levenswijze door de modernisering wordt bedreigd, meent Francis Fukuyama.

Een hele reeks commentatoren heeft het nu verkondigd: de tragedie van 11 september zou aantonen dat ik volstrekt ongelijk had toen ik meer dan tien jaar geleden stelde dat het einde van de geschiedenis was aangebroken. Het koor verhief zijn stem bijna onmiddellijk, met George Will, die verklaarde dat de geschiedenis terug was van vakantie, en Fareed Zakaria, die het einde van het einde van de geschiedenis uitriep.

Het lijkt onzinnig, en beledigend voor de nagedachtenis van de mensen die op 11 september om het leven kwamen en voor hen die op dit moment aanvallen uitvoeren op Afghanistan , om te verklaren dat deze ongekende aanval niet als een historische gebeurtenis kan worden opgevat. Maar ik had het woord `geschiedenis' in een andere zin gebruikt: ik doelde ermee op de ontwikkeling die de mensheid in de loop van de eeuwen heeft doorgemaakt naar de moderne cultuur, die wordt gekenmerkt door instellingen als de democratische rechtsstaat en het kapitalisme.

Wat ik in 1989, aan de vooravond van de val van het communisme, beweerde was dat dit evolutionaire proces steeds grotere delen van de wereld naar de moderne cultuur leek te voeren. En als wij onze blik voorbij de democratische rechtsstaat en de markten richtten, viel er niets anders te bekennen waarheen wij ons nog zouden kunnen ontwikkelen vandaar: het einde van de geschiedenis. Er waren wel achtergebleven gebieden die zich tegen dat proces verzetten, maar er was eigenlijk geen ander, levensvatbaar soort beschaving te bedenken waarin mensen werkelijk wilden leven, nadat het socialisme, de monarchie, het fascisme en andere vormen van autoritair bestuur waren afgedankt.

Deze visie is door tal van mensen aangevallen, het treffendst misschien door Samuel Huntington. Hij betoogde dat de wereld niet voortschrijdt naar één mondiaal stelsel, maar blijft steken in een `botsing van beschavingen', van zes of zeven dominante culturele groepen die blijven bestaan zonder nader tot elkaar te komen. Op de breuklijnen tussen die groepen zouden de mondiale conflicten zich voortaan afspelen. Aangezien de geslaagde aanval op het hart van het wereldkapitalisme onmiskenbaar het werk was van islamitische extremisten die de westerse beschaving zonder meer afwijzen, slaan waarnemers Huntingtons `botsinghypothese' merkbaar hoger aan dan mijn `einde-van-de-geschiedenis'-hypothese.

Toch denk ik dat ik nog steeds gelijk heb: de moderne cultuur is een uiterst krachtige goederentrein, die door de jongste gebeurtenissen, hoe pijnlijk en uitzonderlijk ook, niet zomaar zal ontsporen. De democratie en de vrije markt zullen zich blijven uitbreiden als toonaangevende ordeningsprincipes van een groot deel van de wereld. Wel is het de moeite waard om ons te bezinnen op de werkelijke draagwijdte van de huidige crisis.

Ik heb altijd de overtuiging gekoesterd dat de moderne maatschappij een culturele grondslag heeft. De democratische rechtsstaat en de vrije markt functioneren niet altijd en overal. Ze functioneren het best in samenlevingen met bepaalde waarden, waarvan de oorsprong misschien niet volstrekt rationeel is. Het is geen toeval dat de moderne democratische rechtsstaat voor het eerst is opgekomen in het christelijke Westen, want het universalisme van de democratische rechten kan in vele opzichten worden beschouwd als een wereldlijke vorm van het christelijke universalisme.

De kernvraag die Huntington opwerpt is deze: zullen de instellingen van de moderne wereld alleen in het Westen functioneren of spreken zij bredere kringen aan, waardoor zij ook in niet-westerse samenlevingen voet aan de grond kunnen krijgen. Ik denk het laatste. Het bewijs is de vooruitgang die de democratie en de vrije markten hebben geboekt in gebieden als Oost-Azië, Latijns Amerika, het Europa van de orthodoxe kerken, en Zuid-Azië. Een bewijs vormen ook de miljoenen migranten uit de Derde Wereld die jaarlijks met de voeten kiezen voor een bestaan in de westerse samenlevingen, en die zich uiteindelijk aan de westerse waarden aanpassen.

Toch heeft de islam, of althans de fundamentalistische islam, kennelijk iets waardoor islamitische samenlevingen minder dan andere vatbaar zijn voor de moderne cultuur. Van alle culturele stelsels van onze tijd telt de islamitische wereld de minste democratieën Turkije is de enige uitzondering , terwijl die wereld ook geen landen telt die, zoals Zuid-Korea of Singapore, in één keer de sprong van de Derde naar de Eerste Wereld hebben gemaakt.

Er zijn volop niet-westerlingen die op economisch en technologisch gebied de moderne cultuur verkiezen, maar liefst zonder daarbij de democratische politiek of de westerse culturele waarden te hoeven accepteren denk aan China en Singapore. In andere landen zoals Rusland waardeert men zowel de economische als de politieke kant van de moderne cultuur, maar slaagt men er niet in deze te realiseren. Voor die landen kan de overgang naar de moderne westerse cultuur nog een langdurig, pijnlijk proces worden.

Onoverkomelijke culturele obstakels voor die overgang zijn er naar alle waarschijnlijkheid echter niet, en de inwoners van die landen maken ongeveer tachtig procent van de wereldbevolking uit.

De islam daarentegen is het enige culturele stelsel dat met regelmaat mensen lijkt voort te brengen als Osama bin Laden of de Talibaan, die de moderne cultuur met alles wat erbij hoort ronduit afwijzen. Dat werpt de vraag op in hoeverre zulke mensen representatief zijn voor de islamitische gemeenschap als geheel. Het antwoord dat politici in Oost en West sinds 11 september hierop hebben verkondigd, is dat de mensen die met de terroristen sympathiseren slechts een `kleine' minderheid van de moslims vormen. Dat moeten zij wel zeggen om te voorkomen dat de moslims als groep het mikpunt van agressie worden. Het probleem is dat de afkeer van en de vijandschap jegens Amerika en alles waar het voor staat, duidelijk veel wijder verbreid zijn.

De groep die bereid is om zelfmoord te plegen of anderszins actief tegen de VS samen te zweren, is natuurlijk klein. Maar sympathie kan ook tot uiting komen in aanvankelijk leedvermaak bij de aanblik van die instortende torens, een eerste gevoel van voldoening dat de VS hun trekken thuis krijgen pas later gevolgd door formele uitingen van afkeuring. Zo bezien is de groep die met de terroristen sympathiseert veel meer dan een `kleine' minderheid van de moslims: ze omvat zowel de middenklasse in landen als Egypte, als immigranten in het Westen.

Deze afkeer en vijandschap in bredere kring lijken een afspiegeling van iets dat veel dieper gaat dan enkel verzet tegen de Amerikaanse steun voor Israël en dat soort beleid, namelijk vijandschap jegens de maatschappij die erachter zit.

Misschien is het zo dat, zoals vele commentatoren hebben verondersteld, die vijandschap voortkomt uit wrok over het succes van het Westen tegenover het falen van de islam. Zinvoller dan proberen de islamitische wereld psychologisch te analyseren, is de vraag of de radicale islam een serieus alternatief vormt voor de westerse democratische rechtsstaat.

Ook voor de moslims zelf is de islamitische politiek veel aantrekkelijker gebleken in theorie dan in de praktijk. Na 23 jaar onder het bewind van fundamentalistische geestelijken te hebben geleefd zouden de meeste Iraniërs, vooral bijna iedereen onder de dertig, in een veel vrijere samenleving willen wonen. Al die anti-Amerikaanse gevoelens die zijn gemobiliseerd, kunnen niet worden vertaald in een realistisch politiek programma dat de islamitische samenlevingen voor de komende jaren een richtsnoer biedt.

Wij staan dus nog steeds aan het einde van de geschiedenis, want er is maar één stelsel dat de wereldpolitiek zal blijven beheersen, en dat is het stelsel van de westerse, democratische rechtsstaat. Dat betekent niet dat de wereld geen conflicten meer zal kennen, noch dat de karakteristieke cultuurverschillen tussen samenlevingen zullen verdwijnen. De strijd waarvoor wij staan is niet de botsing van verschillende, gelijkwaardige culturen die als de negentiende-eeuwse Europese mogendheden hun krachten meten. De botsing bestaat uit een reeks achterhoedegevechten met samenlevingen wier traditionele levenswijze door de modernisering wordt bedreigd. De felheid van hun reactie weerspiegelt de ernst van die dreiging. Maar de moderne wereld heeft de tijd en de middelen aan haar kant, en ik zie thans in het Westen geen gebrek aan de wil om te zegevieren.

Francis Fukuyama is hoogleraar internationale economie aan de School of Advanced International Studies van de Johns Hopkins University, en auteur van Het einde van de geschiedenis en de laatste mens.

© Dow Jones & Company, Inc