Ternauwernood ontsnapt aan de islam

Bij het plaatsje Chotin aan de Dnjestr, in het zuiden van de Oekraïne, stonden begin oktober van het jaar 1621 de christelijke legers van het Pools-Litouws-Oekraïense Koninkrijk tegenover een overmacht aan islamitische Turken. `Wraak' was het trefwoord, want een jaar tevoren had de sultan het Poolse leger een verpletterende nederlaag toegebracht bij Tsetsora en was het hoofd van generaal Zókiewski als postpakket bij zijn weduwe bezorgd. Polen was in die jaren het belangrijkste koninkrijk in Oost-Europa.

Heel katholiek Europa had gerild, want waren in 1241 de islamitische Tataren niet tot voor de poorten van Krakau, en zelfs bij Mainz geweest? Waren de herinneringen aan hun meer dan honderdjarige wrede bezetting van de Oekraïne (1241-1363) niet nog levend in kunst en literatuur?

De islam rukte onstuitbaar op. Ankara was bezweken voor de Turken (1354) en daarna Constantinopel (1454). Ze waren opgerukt op de Balkan, waar Bosnië, Albanië en Walachije onder Turks-islamitisch bestuur kwamen en in 1521 was ook Belgrado, bolwerk van de Serviërs, veroverd.

Koning Lodewijk van Hongarije, een broer van de Poolse koning, probeerde de Turken tot staan te brengen, maar sneuvelde in de Slag bij Mohacs (1526). Drie jaar later stonden de Turken voor Wenen en Regensburg. Europa keek verbijsterd toe. De paus en de keizer van het Heilige Roomse Rijk speurden naarstig naar bondgenoten. Intellectuelen sloegen de handboeken open: wat was de islam? Wat wilde de sultan? Welke gevaren dreigden er?

De Nederlandse opstandelingen, bezig zich van het Spaanse, rooms-katholieke, gezag te bevrijden, zagen in de sultan een handelspartner en bondgenoot onder het motto `Liever Turks dan Paaps'. Men verdiepte zich in Oosterse talen. De colleges van de Leidse hoogleraar Scaliger en van de in Polen geboren ex-joodse arabist Ferdinand Philippus trokken vele studenten. De Leidse bibliothecaris Van der Does stuurde zijn zoon Joris op reis naar Constantinopel en Polen, waar hij logeerde bij de beroemde veldheer Jan Zamoyski. In diens `hoofdstad' Zamosc werd een Oosterse Academie gevestigd, waar Zamoyski junior vloeiend Turks, Tataars en Perzisch leerde. Andere Poolse vorsten en veldheren deden hetzelfde en allen bestudeerden de oosterse militaire tactieken via lessen van overlopers. Spoedig was de kennis over het doen en laten van de sultan zo groot dat de Poolse koning en de Turkse sultan zich elkaars ,,beste vriend en grootste vijand'' noemden. De Republiek had de jonge rechtsgeleerde Cornelis Haga uit Schiedam in 1612 als ambassadeur naar Constantinopel gestuurd.

Met de kennis van de islam en het leven van de sultans groeide ook de bewondering voor hun schitterende paleizen, hun kunstverzamelingen en hun perfect georganiseerde administratie en gedisciplineerde legers. Nederlandse kunstenaars reisden oostwaarts en handelaren importeerden fraai bewerkte wapens, zijden kleding uit Perzië en Turkse kelims.

Maar ook de vrees nam toe, want algemeen bekend waren de jaarlijkse invallen van de islamitische Tataren, waarbij honderden mannen, vrouwen en kinderen werden buitgemaakt en afgevoerd naar de Turkse slavenmarkten. Nederlandse zeevaarders vreesden de, eveneens islamitische, Barbarijse zeerovers die de Middellandse Zee onveilig maakten op zoek naar buitenlanders als slaven voor hun galeien.

In 1621 was het weer zover. Een leger van 65.000 Polen en Oekraïense kozakken, onder leiding van de Litouwse veldheer Chodkiewicz, werd ingesloten door een driemaal zo groot leger van de Turkse sultan. De in goudbrokaat geklede Aga van het elitekorps der Janitsaren gaf vanaf zijn witte Arabische paard orders aan regimenten negerslaven en Egyptische mamelukken in lange, fladderende witte gewaden. Olifanten met op hun rug torens van waaruit boogschutters hun pijlen op de vijand afschoten, zaaiden dood en paniek. De Polen konden geen kant meer op en zouden wederom verpletterend verslagen zijn als sultan Osman II niet onverwachts slechte berichten had ontvangen over de situatie aan zijn thuisfront. Snel liet hij de tenten inpakken en verdween. Fotografen bestonden nog niet en ook CNN was niet ter plaatse.

De rooms-katholieke `media' verzwegen dat het leven onder de sultan eigenlijk vaak aangenamer was dan onder de Habsburgers. Dat in 1492 meer dan 100.000 joden uit Spanje en Portugal waren gevlucht voor de Spaanse Inquisitie en gastvrij opgenomen waren in het Turkse rijk en dat in het Turkse Zevenbergen (Transsylvanië) meer dan 60 protestantse kerken floreerden, werd in het Westen buiten de publiciteit gehouden.

Maar uitbundig werd de Poolse kroonprins bejubeld, zijn vader, de koning, werd door de paus als `Redder der Christenheid' uitgeroepen en de 8ste oktober werd een christelijke feestdag.