Potpourri aan kunstenaars op Parijse beurs

In Parijs is de is de 28ste FIAC begonnen, de beurs voor moderne kunst. Het aantal deelnemers is beperkt, de prijs verhoogd en er doen nieuwe, toonaangevende galeries uit het buitenland mee.

Niets zo veranderlijk als de formule van een kunstbeurs. Was vorig jaar tot ongenoegen van veel deelnemers aan de Parijse Foire Internationale d'Art Contemporain (FIAC) de `one-man-show' verplicht, deze keer, voor de 28e editie, hebben ze weer alle vrijheid. Resultaat: bijna de helft van de galeries – waaronder enkele die vorig jaar luidkeels protesteerden – laten wederom slechts één kunstenaar zien. Begrijpelijk, want afgezien van de nadelen (zo zouden jonge kunstenaars minder aan bod zijn gekomen, omdat ze een commercieel risico vormden) was de solo-presentatie in veel opzichten een verademing. De beurs straalde een voornaam soort rust uit, de stands kregen iets museaals, het aanbod was overzichtelijk.

Nu is de potpourri, althans deels, weer terug in de tentoonstellingshal bij de Porte de Versailles. Daartegenover staat dat het bestuur het aantal deelnemers van bijna tweehonderd tot 163 heeft teruggesnoeid. Een kwestie van streven naar kwaliteit – ook al een altijd weer terugkerend twistpunt. Aan Franse zijde doorstonden 81 kandidaten de toets, tegenover 82 buitenlanders, waaronder één Nederlander, de in klassieke modernen gespecialiseerde galerie Borzo uit Den Bosch. In navolging van de tendens elders, op beurzen zowel als op biënnales, is er 500 m2 ingeruimd voor video-kunst. Een avantgarde van jonge, onbekende galeries en dito kunstenaars is ondergebracht in de afdeling `Perspectives'. Een andere vermeldenswaardige nieuwigheid is de verhoogde toegangsprijs (30 gulden), waarmee men hoopt de dagjesmensen, die vorig jaar de kopers voor de voeten liepen, op afstand te houden.

Niet weinig trots is de organisatie (met aan haar zijde de Franse media) op de deelname, voor het eerst, van buitenlandse galeries die er toe doen, zoals Jay Jopling/White Cube uit Londen en Metro Pictures uit New York. De eerste toont werk van Gilbert & George, Damien Hirst, Nan Goldin en Sam Taylor Wood, en de tweede van Cindy Sherman en Olaf Breuning. Overigens lijkt er iets minder fotowerk getoond te worden dan vorig jaar. Wel zitten er juweeltjes tussen, zoals W, September 1999, van Philip-Lorca diCorcia, een ijzingwekkend beeld van een vrouw naast een schuifpui, met uitzicht op een onberispelijke tuin met zwembad. Niet alleen wegens de prijs (65.000 gulden, bij een oplage van 15 exemplaren) is dit werk een van de hoogtepunten van de beurs.

Op de solo-tentoonstellingen treft men veel werk van in de jaren zestig geboren kunstenaars, relatief jong dus. Dennis Hollingsworth (bij The Box Associati), Fabrice Langlade (bij Steinek) Amy Vogel (Air de Paris), Bjarne Melgaard (Espai 292) en Hans Op De Beeck (Farber/La Serre) zijn enkele klinkende dan wel veelbelovende namen. Onder de ouderen of bekenderen bevinden zich Panamarenko, Jean-Charles Blais, Philippe Cognée, Robert Indiana, Yayoi Kusama en A.R. Penck. Heel prachtig zijn de schilderijen, tekeningen en gouaches van Rainer Fetting bij de Berlijnse galerie Raab.

De opmerkelijkste inrichting is die van de Parijse galerie Jérôme de Noirmont, die onder het thema `Memento Mori' werk van Jean-Michel Basquiat, Pierre et Gilles, Penck, Franceso Clemente, Tony Oursler (een op een doodskop geprojecteerde video van een bewegende mond) en van David Mach onder mysterieuze spotlichten presenteert in een overigens zwarte ruimte. Mach maakt zowaar zeer verleidelijke, kleurige doodskoppen van lucifers (in oplage, 6000 gulden). Een goede tweede is de stand van Thaddaeus Ropac waar Philippe Bradshaw met zijn reusachtige, door stalen gordijnen deels aan het oog onttrokken fotowerken een installatie op zichzelf van heeft gemaakt. Aan de buitenwand hangen werken van Yasumasa Morimura die in een zoveelste verkleedpartij en in een mengeling van fotografie en jetprint, hoogstpersoonlijk Frida Kahlo naar de kroon steekt. Een bezoeker grapte dat Kahlo zelf niet meer is dan een goede imitatie van Morimura. Met prijzen tot 70.000 gulden behoort Morimura tot de duurdere kunstenaars, afgezien natuurlijk van de klassieke meesters als Picasso (ruim aanwezig), Miró, Picabia en Léger. Erg veel goedkoops is er op de FIAC niet te vinden. Of de prijzen, gezien de internationale crisis, niet te optimistisch zijn, wat velen vrezen en anderen hopen, moet blijken.

Fiac, Porte de Versailles, Parijs. T/m 15 okt. Open 12-20u. Entree 90 francs, catalogus 200 fr.