Indonesië probeert middenweg te bewandelen

Indonesië heeft moeite een standpunt te formuleren over de tegenaanvallen van de VS. Veel moslims eisen een veroordeling.

Twee dagen zag het Vrijheidsplein in het hart van Jakarta wit van tunieken en tulbanden. Het Front ter Verdediging van de Islam (FPI) belegerde met vierhonderd man de achter prikkeldraad verschanste Amerikaanse ambassade. Indonesië moet de betrekkingen met deze `terreurstaat' verbreken en zijn onderdanen het land uitzetten. Zoniet, dan bestormt het Front de ambassade. Nadat de politie een charge met bamboestokken had afgeslagen met traangas en een waterkanon, besloot ze het beleg te breken. Toen gisteravond versterkingen arriveerden, kozen de belegeraars eieren voor hun geld.

Het militante FPI trad de afgelopen twee jaar op als particuliere zedenpolitie van de hoofdstad en sloeg cafés en bordelen kort en klein. Maandag ging het voorop in een protestactie tegen de aanvallen in Afghanistan. Dat de regering zich over de jongste bombardementen alleen `diep bezorgd' toont, vindt het Front `immoreel'. ,,Waar zijn de bewijzen tegen Osama bin Laden'', vroeg Haji Muhammad Tubagus Sidiq, commandant van de FPI-strijders. ,,Die heeft niemand gezien en intussen moeten onze Afghaanse broeders de Amerikaanse arrogantie met hun leven bekopen.''

Niet alleen het FPI en andere militante sempalan (Javaans voor `afgebroken takken') van de Indonesische moslimstam baren Jakarta zorgen. Ook de gematigde hoofdstroom, moslimpolitici in het parlement en studentenorganisaties, dringen aan op veroordeling van het Brits-Amerikaanse offensief. Zo ook de grootste moslimbeweging, Nahdlatul Ulama, wier boegbeeld Abdurrahman Wahid was. President Megawati Soekarnoputri moet laveren tussen de gevoelens van de meerderheid en die van de enige supermacht, zonder wiens hulp economisch herstel bijna onmogelijk is.

Megawati denkt een middenweg te hebben gevonden in loyale distantie tot de Amerikaanse aanvallen. Die mogen niet te ver gaan, niet te lang duren en moeten onschuldige burgers sparen, maar worden niet veroordeeld. De regering zegt het medeleven van haar onderdanen met Afghanistan te begrijpen, maar uitingen daarvan moeten binnen de grenzen van de wet blijven. Indonesië stond onder Soekarno, Megawati's vader, aan de wieg van de Beweging van Niet-gebonden Landen en wil ook nu neutraal blijven. Het steunt de `internationale strijd tegen het terrorisme', maar ziet een hoofdrol weggelegd voor de VN.

Onder het autoritaire bewind van Soeharto was het schip van staat minder onderhevig aan binnenlandse stormen dan nu. Partijen die het geloof op een hoger plan stelden dan de staatsfilosofie Pancasila gingen in de ban. Een moslimfanaticus die een vliegtuig kaapte, werd geëxecuteerd. Die harde hand hield de militanten in bedwang en werd gesteund door de hoofdstroom der gelovigen.

Sinds de val van Soeharto is alles anders. Seculiere partijen kregen in 1999 een absolute meerderheid, maar ook aanhangers van het denkbeeld dat Indonesië een moslimstaat moet worden, mochten meedoen aan de verkiezingen. De militante vleugel steekt intussen de kop weer op. Hardiansyah (26), `brigadecommandant' van de Islamitische Jeugdbeweging (GPI) die vrijwilligers werft voor een jihad, is een kleinzoon van de man die in 1986 uit geloofsijver een bom legde bij de (Chinese) Bank Central Asia.

De media zijn niet langer een spreekbuis van de regering. De krant Republika werft lezers onder de islamitische intelligentsia, maar speelt in op onderbuikgevoelens. Als we Republika mogen geloven, kunnen de Talibaan beschikken over ,,300.000 strijdbare vrijwilligers''. Het ultranationalistische Rakyat Merdeka (Vrije Volk) kopte maandagmorgen: `De Talibaan lusten Amerika rauw'. Veel lezers ontberen politieke scholing en in dit ongewisse politieke klimaat kan de stemming elke dag omslaan. Toch overheersen extreme waarden niet. FPI, GPI en aanverwante splintergroepen hebben een grote mond, maar de file voor kantoortijd is nog steeds indrukwekkender dan hun legioen.