De netwerkoorlog

President Bush heeft verzekerd dat deze oorlog jaren kan duren. Morgen is hij een maand oud. Amerika en zijn bondgenoten hebben de eerste tegenzetten gedaan, kampen beschoten waar misschien terroristen huizen en voedsel uitgeworpen dat misschien bij hongerenden terechtkomt. Op de televisie komen beelden als die uit de Golfoorlog en Kosovo. Het verschil is dat in de eerste twee gevallen de tegenstander duidelijk aanwezig was, op de grond kon worden gelokaliseerd, en dusdanig geraakt dat hij zich moest overgeven, terwijl we nu naar zijn verblijfplaats moeten raden. In deze oorlog is alles misschien. De Talibaan is misschien de grote tegenstander; Osama bin Laden misschien het brein achter de aanslagen. Maar nemen we aan dat desnoods heel Afghanistan is veroverd, dat in Kabul een nieuw regime is geïnstalleerd, Bin Laden gearresteerd en voor zijn rechters komt, is dan de oorlog afgelopen? Misschien. De geschiedenis van het moderne terrorisme leert dat eerder het tegendeel zou kunnen blijken.

Dit is een nieuw soort oorlog, althans een manier van geweldpleging die na de eerste vliegtuigkapingen door de aanvallers steeds verder is vervolmaakt. Het bewijs is geleverd met de verwoesting van het WTC en de aanslag op het Pentagon. Daardoor heeft dit terrorisme het formaat van een oorlog gekregen. De aanvallers hebben met nieuwe middelen klassieke resultaten bereikt: duizenden doden, ruïnes, paniek, verwarring. De tegenaanval wordt uitgevoerd met klassieke, zij het hypermoderne middelen: vliegtuigen, slagschepen. Voorlopig staat het resultaat niet in verhouding tot de inspanning. Het kan alleen worden omschreven met een groot misschien.

Dat komt, zoals we weten, doordat de vijand niet identificeerbaar is. Het is geen ouderwetse oorlog. Het toegevoegde drama van het Westen is, misschien, dat het voornamelijk op ouderwetse middelen is aangewezen om de strijd te voeren. Zet het ook uit uw hoofd dat hier, volgens de theorie van Samuel Huntington, twee beschavingen op elkaar botsen, schrijft David Ignatius (International Herald Tribune, 8 oktober). De vijand is niet de islam. Deze tegenstander bestaat uit een aantal fundamentalistische netwerken. Hij verwijst dan naar een essay van David Ronfeldt en John Arquilla, Networks and Netwars, waarin een theorie over dit soort geweld wordt ontwikkeld. Het is te vinden op internet www.firstmonday.org.

Wat beide auteurs bedacht hebben is te ingewikkeld om hier samen te vatten. Er verschijnt trouwens dit jaar nog een boek, Networks and Netwars, the Future of Terror, Crime and Militancy, waarvan het genoemde essay een hoofdstuk is. Een van de leidende denkbeelden is dat netwerken – constructief, crimineel of destructief – hun activiteiten niet ontplooien volgens bestaande organisatievormen, geen gebruikelijke hiërarchie hebben, maar met wisselend personeel over de grenzen heen reiken en ontsnappen aan het gezag van de staat. Dit alles wordt hun mogelijk gemaakt door de informatietechnologie, het wereldwijde web. Ze verenigen het onherkenbare met het spoorloze. Dat hebben deze organisaties – als we ze nog zo mogen noemen – gemeen met de drugskartels in Colombia en Mexico, een aantal niet-gouvernementele organisaties, de NGO's die zich hebben laten gelden in Seattle en Genua, en clubjes hackers, `cyboteurs', die door inbraken en met virussen de goede gang van zaken in de communicatie proberen te ontregelen. En dan zijn er de fatsoenlijke activisten van de civil societies die bijvoorbeeld ijveren voor directe democratie via het net, of voor meer rechtvaardigheid in een groenere wereld.

Kleine, bijna niet te traceren groepen blijken in staat te zijn, een hele gemeenschap van naties te ontregelen. In de verte doet het denken aan De techniek van de staatsgreep, zoals die beschreven is door Curzio Malaparte, al in 1929. Hij liet zich inspireren door Trotski. `De staatsgreep is een machine'. De machine bestaat uit een revolutionaire elite die, als de tijd daar is, zich meester maakt van de organen in staat en maatschappij die de communicatie beheersen. De macht die zich verzekert van de controle over de communicatie, heeft de beste kansen geschapen om daarmee zijn oppermacht te vestigen.

Het verschil tussen deze oude revolutionairen en de nieuwe van de Netwars isdat de laatsten zich ten doel hebben gesteld, hetzij de belangen van hun eigen criminele organisatie te bevorderen zoals bij de drugskartels, hetzij hun vijand door een lang proces van gewelddadige ontregeling te vernietigen, zoals het netwerk van Bin Laden dat kennelijk wil. Daarbij hebben ze dan de omstandigheden mee. Want de tegenstander is niet meer op een dergelijke krachtmeting berekend. Door een lang proces van liberalisering, depolitisering, het `primaat van de economie' in de mondialisering, is de staatsmacht in het Westen van binnen aangetast. Zo hebben we dat de afgelopen tien jaar gewild. Wat voor de volken van het Westen een samenleving van groeiende welvaart en vrijheid is, betekent voor de netwarriors het comfortabele, tegelijkertijd kwetsbare doolhof waarin ze zich ongehinderd kunnen voorbereiden op hun acties.

Met hoeveel succes ze dat doen, wordt voor onze ogen bewezen. In Amerika wordt al sinds president Reagan de War on drugs gevoerd. Nu komt men aarzelend tot de conclusie dat die met toepassing van gebruikelijk geweld niet kan worden gewonnen. Over het doen en laten van terroristen van de elfde september worden steeds meer bijzonderheden bekend. Ze reisden over de halve wereld, leerden vliegen, woonden in Duitse en Amerikaanse steden, lieten zich in hotels registreren, huurden auto's, deden geen moeite om hun identiteit te verbergen en konden daarna in de vliegtuigen stappen om hun aanslagen eindelijk uit te voeren. Lees het huiveringwekkend verslag van hun laatste dagen, in de International Herald Tribune van 6-7 oktober. In de netwars blijven de aanvallers zich braaf gedragende schimmen, tot ze zich met hun dood in een catastrofe ontmaskeren.

Hoe kan de westelijke samenleving van honderden miljoenen zich tegen dergelijke terroristische netwerken verdedigen? Met politieagenten in de vliegtuigen, de deur van de cockpit vergrendeld, vliegdekschepen naar de verdachte plaatsen dirigeren, bommen op trainingskampen gooien. Misschien worden er een paar daders mee geraakt, maar de netwerken niet. Een lange oorlog, zei Bush. En ook een oorlog waarvan we nog niet weten hoe die moet worden gevoerd. Dat is de enige zekerheid.