Bush toont gevaarlijk staaltje koorddansen

Keer op keer houden president Bush en premier Blair de wereld voor dat de strijd lang zal zijn. Mogelijk wordt daarmee een lange strijd tegen het terrorisme in het algemeen bedoeld, want een lange strijd in Afghanistan zelf is buitengewoon risicovol, menen Rob de Wijk en Frans Osinga.

Het doel van de huidige operatie tegen het terrorisme wordt door de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld in tamelijk vage bewoordingen omschreven. Hij sprak onder meer over een prijs die betaald moet worden voor het verschaffen van onderdak aan terroristen, het veranderen van de machtsbalans in Afghanistan en het ontwikkelen van nieuwe relaties met de oppositie van het Talibaan-bewind. Militairen hebben weinig aan dergelijke doelstellingen omdat zij hun campagne slechts kunnen plannen aan de hand van een concrete eindsituatie. Het behalen daarvan bepaalt immers het succes.

Wie tussen de regels door leest weet dat het echte doel de vernietiging is van de Talibaan, die steun verlenen aan Osama bin Laden en zijn terreurbeweging. Verwijdering van de Talibaan betekent dat militaire operaties tegen Bin Laden gemakkelijker worden.

Vaagheid is noodzakelijk om zonder gezichtsverlies de strijd vroegtijdig te kunnen opgeven. Er zijn echter drie grote risico's waar de VS en Engeland rekening mee moeten houden.

Het behalen van een militaire overwinning is niet zonder meer zeker. De Talibaan zijn taai, hebben aangekondigd Bin Laden de vrije hand te geven en willen zo nodig twee miljoen martelaren voor de heilige strijd opofferen. Voorts zijn, afgezien van enkele duizenden speciale eenheden, Amerikaanse en Britse landstrijdkrachten volstrekt niet ingericht op de strijd die in Afghanistan zal moeten worden gevoerd.

De broosheid van de steun die de islamitische landen aan de Amerikaans-Britse oorlogsinspanning leveren, kan eisen dat de strijd vroegtijdig wordt gestaakt.

Enerzijds vormt Bin Laden voor de regimes in de regio een bedreiging omdat hij een panislamitische staat onder één politiek-religieuze leider voorstaat. Verder zijn de Talibaan een schande voor de islamitische wereld. Dit verklaart de steun voor de Amerikaans-Britse acties.

Anderzijds delen sommige regimes en grote delen van de bevolking in de islamitische wereld veel van zijn gedachtegoed, ook al worden de aanslagen afgekeurd. En dat gedachtegoed is niet alleen anti-westers, maar vooral anti-Amerikaans. Dat verklaart dat vrijwel alle landen hooguit passieve steun verlenen door het openstellen van luchtruim en vliegbases.

Hoe langer de strijd tegen de Talibaan duurt, hoe groter de kans op het wegvallen van deze steun. Regimes krijgen nu reeds in toenemende mate met volksopstanden te maken. Als de steun in de regio wegvalt, staan de Amerikanen en de Britten, mogelijk aangevuld met enkele andere trouwe westerse bondgenoten er alleen voor. Bin Ladens stelling dat sprake is van een Amerikaans-Britse kruistocht van ongelovigen tegen de islamitische wereld zal dan meer gewicht krijgen en hij zal dan mogelijk in staat zijn anti-Amerikaanse steun te mobiliseren. Op dat moment krijgt de strijd, om met Samuel Huntington te spreken, de trekken van een `clash of civilizations'.

Ten slotte is de kans groot dat door protesten en opstanden pro-westerse regimes vallen en plaatsmaken voor radicale antiwesterse leiders. De positie van de Pakistaanse en Saoedische regimes is zorgwekkend. Als deze regimes vallen, kunnen de consequenties dramatisch zijn. In het geval van Pakistan kan dit betekenen dat kernwapens in verkeerde handen vallen, hoewel samen met de Amerikanen reeds maatregelen zijn getroffen om gevolgen daarvan te beperken. Het nachtmerriescenario is de val van het Saoedische regime. Een nieuw antiwesters regime zal olie ongetwijfeld als wapen gaan gebruiken, wat kan leiden tot een grote oorlog met mondiale gevolgen. De belangrijkste olievoorraden in de wereld zijn immers in de islamitische wereld te vinden. Als de olietoevoer staakt, hebben westerse geïndustrialiseerde mogendheden, inclusief Nederland, geen keus: de olietoevoer moet met militaire macht worden verzekerd. Destabilisering in de regio en escalatie van het conflict buiten de Afghaanse grenzen is een groot gevaar.

Tot nu toe handelen de Amerikanen en Britten verstandig, hoewel een sprong in het diepe is gemaakt en al improviserend een uitweg moet worden gevonden. De Amerikanen vallen voor het bereiken van hun doelstellingen terug op oude, beproefde methodes voor de strijd tegen binnenlands gewapend verzet – methodes waarmee de Britten en de Nederlanders in hun vroegere koloniën ooit uitgebreid ervaring hebben opgedaan. Die methodes zeggen dat een operatie uit twee elementen moet bestaan: een `hearts and mind'-campagne, gericht op het verwerven van steun van de bevolking en een militaire campagne gericht op de strijders zelf.

Een voorwaarde voor een succesvolle militaire campagne is dat de strijders de sympathie van het volk verwerven en in het verlengde daarvan de broze coalitie met de islamitische landen in stand houden. Daartoe is de militaire operatie in Afghanistan ingeleid met een humanitaire hulpoperatie, die tevens onderdeel van psychologische operaties is. Immers, er worden ook pamfletten afgeworpen waarin de Afghanen worden opgeroepen zich van de Talibaan af te keren en Bin Laden aan te geven. Daarmee wordt voor de eerste maal in de geschiedenis humanitaire hulp als strategisch instrument gehanteerd.

Allereerst dient de hulpoperatie als rookgordijn. Het leidt de aandacht af en zaait verwarring in Afghanistan zelf, en mogelijk ook in de rest van de islamitische wereld. Er wordt duidelijk gemaakt dat de strijd niet tegen de bevolking of de islam is gericht. Wat dat betreft zal de oorlog om Kosovo van 1999 beter voor propagandistische doeleinden moeten worden uitgebaat. Simpel gezegd intervenieerden christenen toen ten behoeve van moslims door tegen de Serviërs ten strijde te trekken.

Gelijktijdig met het humanitaire offensief, is ook een militair offensief in gang gezet. Daarbij spelen speciale eenheden en gevechtsvliegtuigen een sleutelrol. Als de Amerikanen en Britten omwille van de stabiliteit in de regio de militaire strijd in Afghanistan moeten staken, kan de humanitaire operatie een substituut voor militaire actie worden.

Ten tweede zal de hulpoperatie de omvang van de vluchtelingenstroom beperken en daardoor een stabiliserend effect op de omliggende landen hebben. Daarmee wordt handig ingespeeld op de zorgen van Pakistan en Iran over het gevaar dat zij zullen worden geconfronteerd met een nog grotere stroom Afghaanse vluchtelingen als gevolg van een militaire Amerikaanse aanval.

Ten derde wordt met een humanitaire hulpoperatie duidelijk gemaakt dat de Amerikaanse regering niet uit is op wraak. De Amerikanen maken duidelijk dat zij zorgvuldig, beheerst en met voldoende aandacht voor de gevoeligheden in de regio een gepast antwoord leveren op aanslagen die door een Bin Laden zijn uitgevoerd. Het stereotiepe negatieve beeld van de VS dat onder sommige bevolkingsgroepen leeft, kan met de hulpoperatie worden doorbroken. In plaats van de Talibaan, zorgen nu de VS voor de Afghaanse bevolking.

Ten vierde is er de morele ondermijning van de Talibaan. Terwijl de geloofwaardigheid van de VS en het draagvlak van eventuele en door iedereen verwachte vervolgacties worden verhoogd, worden de Talibaan niet alleen in politiek, financieel en militair opzicht geisoleerd, maar nu ook in moreel opzicht, en zelfs van het eigen volk.

Ten vijfde wordt het voor de regeringen in de regio gemakkelijker om politieke en praktische steun voor de VS rechtvaardigen richting de bevolking. Ook dit kan mogelijke reacties op Amerikaanse acties verminderen.

Het dilemma van president Bush is dat een langdurige operatie noodzakelijk is, terwijl de stabiliteit in de regio en het draagvlak binnen de coalitie duidelijke resultaten op de korte termijn vereisen. Het is de vraag of dit lukt. Bush is bezig met een onvermijdelijk maar gevaarlijk staaltje koorddansen.

Prof. dr. R. de Wijk en F. Osinga zijn verbonden aan het Instituut Clingendael voor internationale betrekkingen.