Bommen met pindakaas missen hun doel

Oorlog en humanitaire acties verdragen elkaar niet goed, en toch zijn die twee zaken sinds het einde van de Koude Oorlog steeds meer met elkaarverweven geraakt. De NAVO bezigde de uitdrukking `humanitaire oorlog' ter verklaring van de oorlog die in 1999 in Kosovo uit naam van de moslims tegen de Serviërs werd gevoerd. De humanitaire organisaties worder er erg nerveus van, zeker dit keer in Afghanistan.

In hun noodzakelijke, ja zelfs prijzenswaardige pogingen te bewijzen dat hun oorlog tegen de Talibaan en hun terroristische gasten niet gericht is tegen het Afghaanse volk, hebben president George W. Bush en de premier Tony Blair het belang van humanitaire acties onderstreept. Zondag heeft Bush beloofd dat ,,het onderdrukte volk van Afghanistan zal ervaren hoe genereus Amerika en zijn bondgenoten zijn''. Blair heeft verklaard dat de hulp aan de miljoenen Afghaanse vluchtelingen in hun eigen land en in het buitenland ,,net zo belangrijk is als de militaire coalitie''.

Gelijk heeft hij. Maar het gevaar bestaat dat het werk van de hulporganisaties wordt bemoeilijkt als openlijk een koppeling tussen de twee wordt aangebracht. De organisaties geloven ook niet echt dat geweld de beste weg is naar een humanitair doel. En ze worden er bepaald niet graag mee in verband gebracht.

Inmiddels heeft een aanval plaatsgevonden op de kantoren van Unicef en het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) in Quetta in Pakistan. Volgens sommige functionarissen is men er kennelijk al van overtuigd dat ze een rol spelen in de oorlog. Zowel het plaatselijk ingehuurde personeel als de buitenlandse staf zijn hevig geschrokken van de aanvallen, wat niet bepaald bevorderlijk zal zijn voor hun bereidheid de vluchtelingenkampen in te richten die volgens de VN binnenkort nodig zullen zijn.

Tegelijkertijd heeft het Noodcomité voor Rampen, dat hulpverzoeken van debelangrijkste Britse hulporganisaties coördineert, de inwilliging van een verzoek namens de 7,5 miljoen Afghanen die volgens dit comité in Afghanistan gevaar lopen, op de lange baan geschoven: ,,Het is momenteel lastig de humanitaire behoeften los te zien van de luchtbombardementen en bijbehorende voedseldroppings van dit moment.''

Door het wanbeleid van de Talibaan dreigt al jaren hongersnood voor miljoenen Afghanen. In Pakistan bevinden zich al twee miljoen Afhgaanse vluchtelingen en in Iran anderhalf miljoen. De VN vrezen dat in de komende weken nog eens een miljoen naar Pakistan zullen vluchten, 400.000 naar Iran, 50.000 naar Turkmenistan en nog eens 50.000 naar Tadzjikistan.

Het snel openstellen van de grenzen rond Afghanistan zou één van de humanitaire doelstellingen van de coalitie moeten zijn. Pakistan heeft rond de honderd nieuwe plaatsen voor kampen aangewezen, maar die bevinden zich in afgelegen, onveilige gebieden, waar stammen heersen en geen water is. Volgens functionarissen van hulporganisaties zal het minstens twee weken duren voordat de nieuwe kampen klaar zijn.

We weten nog niet hoeveel voedsel, medicijnen en andere hulpgoederen de VS naar Afghanistan willen brengen, maar het kan haast niet om meer dan eengebaar gaan.

In het algemeen is het droppen van noodvoedselpakketten min of meer een symbolische geste, behalve in afgebakende gebieden waar niet gevochten wordt, zoals het geval was in 1991 bij de Koerden langs de Turkse grens. In Bosnië zijn inderdaad mensenlevens gered met voedseldroppings in de islamitische enclaves, maar het ging daarbij om een betrekkelijk kleinschalige operatie.

Volgens het Wereldvoedselprogramma, de belangrijkste voedseldistributeur in Afghanistan, zouden rond de vierhonderdduizend mensen in twee noordelijke provincies nog voor een paar dagen voedsel hebben. Volgens deze organisatie is maandelijks ongeveer 50.000 ton nodig om iedereen in het land die er nu behoefte aan heeft, te voeden. Om aan die behoefte te voldoen zouden binnen één maand achttienhonderd vluchten met Hercules-vrachtvliegtuigen moeten worden uitgevoerd – wat praktisch onmogelijk is.

In de jaren tachtig hebben de Vietnamezen in Cambodja de internationale hulporganisaties gebruikt om in Phnom Penh een regering in het zadel te helpen die volgens de internationale gemeenschap illegaal was.

Daarop hebben de vijanden van Vietnam, onder aanvoering van China en Thailand, het verzet tegen Hanoi getracht te versterken met voedselhulp aan de Rode Khmer, die actief was onder Cambodjaanse vluchtelingen langs de grens van Thailand. Beide partijen hadden hun kracht te danken aan deze hulpacties, waardoor het conflict alleen maar langer heeft geduurd.

Het beste voorbeeld voor het dilemma van Afghanistan is te vinden in Kosovo en Macedonië in 1999. Rond de 360.000 islamitische Kosovaren vluchtten toen binnen enkele weken in maart en april van dat jaar naar Albanië en Macedonië om te ontkomen aan de Servische ethnische zuiveringen.

De VN was er niet op voorbereid en moest met tegenzin de NAVO verzoeken vluchtelingenkampen in te richten; de UNHCR en meewerkende organisaties hielpen vervolgens de vluchtelingen in die kampen. Het was, zacht gezegd, ongebruikelijk dat één van de militaire partijen in een conflict uitgebreide humanitaire acties in deze vorm op zich nam, maar al met al was het een succes.

In Afghanistan is het probleem misschien wel dat de militaire en humanitaire doelstellingen van de coalitie als gelijkwaardig worden gepresenteerd, al valt moeilijk in te zien dat ze dat in de praktijk ook zijn, tenzij de Talibaan snel en definitief worden verslagen. Alleen in geval van een nederlaag kunnen de hulporganisaties de Afghaanse bevolking bereiken, hetgeen absoluut noodzakelijk is.

Er zijn functionarissen die vrezen dat het verband tussen militaire en humanitaire doelstellingen dat in alle toespraken wordt gelegd, nadelig zou kunnen zijn voor de onpartijdigheid van de VN en hun partners, waardoor het onmogelijk wordt Afghaanse levens te redden. Dat kan niet de bedoeling zijn van Bush en Blair.

William Shawcross is lid van de International Crisis Group en auteur van onder meer Deliver Us from Evil: Warlords and Peacekeepers in a World of Endless Conflict. Dit artikel verscheen eerder in de Financial Times.