`Van ratten kun je geen oorlog winnen'

In het noorden van Afghanistan wacht de Noordelijke Alliantie af. Offensieve acties zijn onmogelijk door de zandstormen. ,,En ze hopen dat de Amerikanen het vuile werk opknappen.''

Tanks wil hij hebben, en moderne artillerie, en helikopters graag. ,,Geen kalasjnikovs, daar kom ik in om.''

Op artilleriepost Ayghanoun, in het noorden van Afghanistan, kijken drie ingegraven tanks uit op de rivier de Kooktsa. Iets achter de heuveltop staat nog wat veldgeschut en een katjoesja die zo op het oog nog dienst heeft gedaan in Stalingrad. We zijn op excursie met generaal Mohammed Amir, een van de commandanten van de Noordelijke Alliantie in deze sector. Beneden door de nevel schittert de rivier. De generaal beschrijft een vage lijn. Daar ergens liggen de stellingen van de Talibaan. Tien kilometer verderop. ,,Soms schieten de Talibaan granaten naar ons. Daarmee vragen ze: hoe gaat het? Dan schieten we er een paar terug. Dat betekent: heel goed, en met jullie?'', lacht Amir.

Volgens de generaal ontbreekt het hem aan vuurkracht om aan te vallen. Voor de Talibaan is hij niet bang. Ze zijn met weinigen en hun moreel is laag hier. Maar de voorste stellingen, dat is een andere zaak. ,,Ik heb 190 Pakistanen hier tegenover me, en 150 Arabische vrijwilligers. Dat zijn fantastische strijders. Het is voor mij moeilijk te geloven dat Pakistan nu samen met de Amerikanen tegen de Talibaan gaat vechten.''

Offensieve aanvallen lijken op dit moment op dit punt van het front soswieso onmogelijk. Zware zandstormen schuren over de heuvelrug en bedekken alles onder een laag gruis, zo fijn als poeder.

Amir lijkt veel te verwachten van de Amerikanen. Aan de voet van de heuvel ligt een uitgebrand karkas van een MiG-toestel. Van de Talibaan, zegt Amir. ,,Hun vliegtuigen zijn het gevaarlijkst voor ons. Die schieten de Amerikanen nu weg.'' Maar mullah Omar, de leider van de Talibaan, of Osama bin Laden, die zullen ze volgens hem nooit vinden. ,,Die twee hebben zich verstopt in tunnels en grotten, vijftig meter onder de grond. Van mensen kun je een oorlog winnen, van ratten niet.''

We rijden door naar legerkamp Gaztap. Dit artikel schrijf ik in een veldtent. Elke beweging van de pen wordt nieuwsgierig gevolgd door veertig paar soldatenogen. Amir stelt zijn mannen in het gelid op. ,,Foto graag'', zegt hij gebiedend. Waarna zo'n honderd soldaten instructie krijgen in het omgaan met mijnen. Hij maakt een gebaar en twintig tanks rijden heen en weer. Een show, want niets wijst hier op verhoogde militaire activiteit.

,,De muhajedeen hier wachten liever af. Ze vinden het prachtig dat de Amerikanen bombarderen. Nu willen ze graag dat ze ook op de grond het werk opknappen'', zei de tolk Feisal ons gisteravond. Hij deelt in de stad Hodzja Waoudin het gasthuis van een zekere Ahmed met ons en een Russische televisieploeg. Als gastheer Ahmed in gebed verzinkt, drinkt Feisal stiekem wodka met de Russen. ,,Als Afghaan moet je voorzichtig zijn, er zijn overal spionnen.''

De stad Hodja Waoudin staat op weinig landkaarten. Vijf jaar geleden waren het drie huizen en een ezel. Toen arriveerden tienduizenden Afghaanse Tadzjieken die voor de Talibaan uit het zuiden waren gevlucht. Nu is Hodja Waoudin een regionale hoofdstad, een enorm labyrint van lemen muren dat direct uit de aarde lijkt te groeien.

Volgens Feisal, die zeven jaar planeconomie studeerde in Leningrad, heeft de opkomst van de Talibaan zijn voordelen. Vroeger zag deze sovjetintellectueel uit Kabul niets in de mujahedeen. ,,Ik vond hen achterlijk en fanatiek en zij vonden mij een verrader en een heiden. Maar van de Talibaan hebben we allemaal geleerd dat je van religie ook te veel kan hebben. Nu werken we samen.''