Londen en Parijs varen een uitgekiende koers

Groot-Brittannië en Frankrijk hebben beide hun eigen redenen om de Verenigde Staten in de huidige crisis terzijde te staan. Dat kan leiden tot een nieuwe Frans-Amerikaanse verzoening en een realistischer atlantische opstelling van Londen, meent Jonathan Eyal.

Het feit dat de Britse strijdkrachten samen met de Amerikanen betrokken zijn bij het Afghaanse offensief, is niet opmerkelijk: de Britse premier Tony Blair heeft zijn steun aan de VS van de daken geschreeuwd. Veel verrassender is de opstelling van Frankrijk, dat eveneens heeft toegezegd zijn strijdkrachten de komende weken in te zetten. Zo voltrekken zich achter de façade van eensgezinde Europese steun voor de Amerikaanse militaire acties twee stille maar heel belangrijke veranderingen: Groot-Brittannië wordt Europeser, terwijl Frankrijk atlantischer wordt.

Elk land beroept zich op een `bijzondere verhouding' met de VS, maar de Britse band is in veel opzichten uniek. Niet alleen hebben de twee landen een gezamenlijke taal en geschiedenis, en grotendeels hetzelfde rechtsstelsel, maar ze delen ook al het materiaal van hun inlichtingendiensten, en hun legers zijn nauw verweven: Groot-Brittannië is als enig Europees land in het bezit van dezelfde precisiewapens die de Amerikanen op het ogenblik tegen Afghanistan gebruiken. De Britse aanspraak om enige invloed in de wereld uit te oefenen is afhankelijk van die band met de Amerikanen. Onenigheid met Washington in tijden van ernstige crises levert in Londen geen stemmen op. Blair heeft dan ook gehandeld in de geest van elke andere Britse premier sinds Churchill.

Maar nadere beschouwing van het Londense gedrag laat een gecompliceerder politiek beeld zien. De Britten hebben zo publiekelijk en stellig de kant van de VS gekozen omdat ze beseften dat een onjuiste aanpak van de huidige crisis zou kunnen leiden tot een unilateralistischer Verenigde Staten een supermacht die minder geneigd is de last van de internationale veiligheid te blijven dragen en vastbesloten is om vermeende vijanden overal ter wereld op eigen voorwaarden te bestrijden. Voor Europa als geheel zou dat een groot verlies hebben betekend; vooral voor Groot-Brittannië zou het een ramp zijn geweest. De Britse steun was daarom bedoeld om de aard van het Amerikaanse optreden te beïnvloeden. Ook begreep Blair dat het hele debat over de toekomstige Europese veiligheidsstructuur zal worden beïnvloed door de wijze waarop Europa nu handelt.

Als Washington ervan overtuigd is dat het `oude continent' militaire hulp kan bieden als de VS die nodig hebben, zullen de Amerikanen ook gemakkelijker kunnen aanvaarden dat een Europese veiligheidsstructuur nooit ten koste van hen zal gaan. In zijn eerste verklaring nadat de operaties tegen Afghanistan dit weekeinde waren begonnen, vermeed Blair zorgvuldig elke vermelding van de bijzondere verhouding met de VS. In plaats daarvan rechtvaardigde hij de Britse deelname aan het offensief als een daad van nationale zelfverdediging, een reactie op de moord op Britse staatsburgers in de torens van het wereldhandelscentrum in New York. Die zorgvuldige nuance is belangrijk: Groot-Brittannië vecht voor zijn eigenbelang, niet voor een abstract en historisch gevoel van vriendschap met de VS. En dus is het Britse optreden niet in tegenspraak met of nadelig voor een toekomstige Europese veiligheidsstructuur. Nog nooit heeft een Britse premier de moeite genomen zo'n subtiel onderscheid te maken als Blair nu heeft gedaan.

Chirac zou uiteraard geen echte politicus zijn als hij de binnenlandse voordelen niet combineerde met overwegingen voor de buitenlandse politiek op langere termijn. Toen de terroristen in de VS toesloegen, was Chirac in eigen land verwikkeld in een controverse over beschuldigingen van corruptie. De crisis heeft alle media-aandacht van dat schandaal afgeleid. Bovendien is een mondiale militaire confrontatie bij uitstek een gelegenheid waarbij een Franse president kan schitteren. Met presidentsverkiezingen in het vooruitzicht, kwam het Chirac zichtbaar goed uit om het wereldtoneel te betreden. Maar de Franse leider is veel verder gegaan dan uit binnenlandse electorale overwegingen verstandig zou zijn geweest. Hij reisde als eerste Europese leider na de terroristische gruweldaad naar New York, een volle week eerder dan Blair. Ook sprak hij zijn onvoorwaardelijke steun aan de VS uit, met inbegrip van de inzet van Franse troepen.

De Franse beseffen namelijk al geruime tijd dat hun oude neiging om altijd speldenprikken uit te delen in de richting van Washington en voortdurend te proberen de Amerikaanse invloed in Europa te verminderen, een spelletje was dat steeds minder opleverde. Frankrijk heeft net als alle andere Europeanen de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Europa nodig, al was het maar omdat de Europeanen vermoedelijk niet zoveel meer geld in hun eigen verdediging zullen investeren. De enige uitkomst van de Franse vijandigheid tegenover de Amerikanen was dat Frankrijk zelf steeds meer buitenspel kwam te staan.

De Duitsers en uiteraard de Britten hielden vast aan hun bijzondere militaire betrekkingen met de VS en Frankrijk zag ten slotte in dat een anti-Amerikaanse houding nog zo strelend voor de nationale trots kon zijn, maar dat die zich uiteindelijk tegen Frankrijk zelf keerde. Chirac heeft in het verleden geprobeerd die anti-Amerikaanse gaullistische traditie te begraven. Hij slaagde daar niet in, door een mengeling van achterdocht in Washington en tegenstand van de intellectuelen en politici in eigen land, die allemaal zijn opgegroeid met de overtuiging dat de Amerikaanse invloed onherroepelijk ten koste gaat van Frankrijk. De huidige crisis heeft Chirac eindelijk de kans geboden om uit die zelfgezette Franse val te ontsnappen.

Waar zijn de Fransen nu op uit? Ten dele, net als Groot-Brittannië, op een `bijzondere verhouding' met Washington. Die zal nooit zo hecht of zo vertrouwelijk worden als die van de Britten, maar Frankrijk zou er wel door in eenzelfde positie als Groot-Brittannië en Duitsland kunnen komen. De Amerikanen hebben altijd geweten dat de vriendschap met Engeland nog zo waardevol mag zijn, maar dat een hechte band met de andere grote Europese bondgenoten nog beter is: nu krijgt het Witte Huis die kans op een Frans presenteerblad aangeboden. Een nauwere samenwerking met Washington zal ook de Amerikaanse bedenkingen wegnemen over de Europese defensiestructuur; als Frankrijk eenmaal het vertrouwen van de Amerikanen heeft gewonnen, kan het in plaats van een beletsel een stimulans zijn voor die Europese structuur, net zoals Groot-Brittannië dat de laatste jaren is geweest.

Op de bijeenkomst van EU-ministers van Buitenlandse Zaken hebben de Fransen een `actieplan voor Afghanistan' gepresenteerd. De voorstellen lopen uiteen van humanitaire noodhulp voor vluchtelingen tot coördinatie van internationale inspanningen om het land weer op te bouwen. Frankrijk stelt de vorming voor van een `permanent overlegkader' tussen de EU, de Verenigde Staten, de buurlanden van Afghanistan, VN-organen en non-gouvernementele organisaties. Dat zou een soort contactgroep moeten zijn, zoals die welke een aantal jaren heeft gefunctioneerd voor het voormalige Joegoslavië. De Amerikanen zullen waarschijnlijk tegen geen van deze voorstellen bezwaar maken en Washington zal zeker nota nemen van de opbouwende en ondersteunende rol van de Fransen.

En zo bestaat de mogelijkheid dat, als de rook van de oorlog eenmaal is opgetrokken, de misdaden van Bin Laden tot iets hebben geleid wat het einde van de Koude Oorlog niet vermocht: een nieuwe Frans-Amerikaanse verzoening en een realistischer transatlantische houding van de Britten. En beide landen komen wellicht tot de ontdekking dat ze tegelijkertijd Europeser én atlantischer kunnen zijn.

Jonathan Eyal is verbonden aan het Royal United Services Institute for Defence Studies in Londen.