Het kapitaal van de islam

Hij wordt, onvermijdelijk, al `de nieuwe Hitler' genoemd. Maar er zijn meer vergelijkingen te trekken. Zou Osama bin Laden, bijvoorbeeld, voor radicale moslims een apocalyptische profeet zijn, een islamistische versie van de derdewereldheld Che Guevara, of van de criminele patroon Pablo Escobar, of heeft hij iets van alledrie tegelijk?

De moordenaar van New York die de moslimwereld nu oproept tot een heilige oorlog tegen het Westen, appelleert aan fanatiek-religieuze sentimenten maar ook aan een diepgeworteld antiwesters ressentiment. Hij weet bovendien een internationaal vertakte organisatie te benutten en gebruikt moderne en uitgekiende media-contacten; zie zijn tevoren opgenomen reactie per videoband op de Amerikaans-Britse acties. Kortom, dit zijn geen nieuwe Middeleeuwen, zoals Der Spiegel meldt, dit is een levensgevaarlijk welkom in de 21ste eeuw.

De vuile oorlog die deze religieuze ondernemer is begonnen heeft dan ook uiteenlopende en verwarde reacties opgeroepen bij commentatoren, ook hier. Er zijn, zoals onder anderen Tony Blair heeft opgemerkt, uit radicaal-linkse hoek voorspelbare maar niettemin ontstellend ontwijkende reacties geweest op de aanslagen; de veteraan Noam Chomsky was er als de kippen bij om een vergelijking te trekken met een Amerikaans bombardement op Soedan, en de marxist Fredrick Jameson betwijfelde in The London Review of Books zelfs of je kunt spreken van `een gebeurtenis' omdat het allemaal `nog niet is afgerond'. In eigen land wist SP-coryfee Karel Glastra van Loon op de avond van de eerste Amerikaans-Britse militaire reactie, onophoudelijk bedenkingen te uiten over mogelijke Afghaanse burgerslachtoffers, zonder ook maar een moment stil te staan bij de massamoord die de reden van de actie is; Afghanen zijn zielig, maar Amerikanen krijgen kennelijk wat ze verdienen.

Bij zulk harteloos intellectualisme lopen de rillingen je over de rug. Chomsky en Glastra van Loon zijn overigens juist geen uitdragers van het nu alom zo gesmade cultuurrelativisme: hun reflexen wijzen erop dat ze de niet-westerse wereld nu eenmaal beter, zuiverder en onschuldiger vinden dan het Westen. Keerzijde van hun misplaatste onderkoeling zijn woeste hartenkreten tegen `de' islam. `Er is iets mis met de islam', loeide HP/De Tijd vorige week op de voorpagina, een signaal dat door de International Herald Tribune werd opgevat als een teken dat de bezorgdheid over de explosieve paradoxen van de moderne islam `het scherpst' is in Nederland. De krant ziet het als een kans een broodnodig debat aan te gaan over lang gekoesterde taboes.

Dat is mogelijk. Maar dergelijke hartenkreten, hoe oprecht en begrijpelijk ook, kunnen riskant zijn en zelfs brandstof vormen voor wat Osama bin Laden en de zijnen nu juist willen ontketenen: een keiharde botsing of `heilige oorlog' tussen onverzoenlijke culturen. Het terechte en tot nu toe gematigde antwoord van de coalitie tegen dit religieuze terrorisme zou dan worden ingebed in een cultuurstrijd die aan diezelfde coalitie alleen maar afbreuk zal doen. Niet voor niets herhalen Bush en Blair keer op keer dat het niet gaat tegen de islam, een standpunt dat hopelijk op de cruciale Arabische top in Qatar zal worden overgenomen.

Wie wil weten wat er mis is met het huidige, politieke islamisme, kan zich intussen beter wenden tot minder verhitte bronnen. Waarom heeft de radicale islam zo'n mobiliserende wervingskracht? Zou dat kunnen zijn omdat deze radicale beweging niet zozeer primitief is alswel beangstigend eigentijds?

Ernest Gellner, die een reputatie verwierf als theoreticus van moderniteit en nationalisme, noemt de islam in zijn laatste boek Nationalism (1997) vergeleken met het christendom `verbluffend modern': het is een streng monotheïstische wereldbeschouwing, wars van magie en bijgeloof, egalitair, en één die een zwaar accent legt op moreel gedrag in deze wereld. De traditionele islam is volgens Gellner daarmee bij uitstek een religie die individuen verbindt, de sociale cohesie bewaakt en naar een gemeenschap van gelovigen streeft, de umma. In religieus, sociaal en politiek opzicht was de islam zo een revolutionaire en moderniserende eenheidscultuur in de heterogene stammensamenlevingen van het Midden-Oosten.

Die geschiedenis kan mogelijk verklaren, aldus Gellner, waarom de islamitische wereld zo bestand is gebleken tegen de secularisering die gepaard gaat met industrialisering en de opkomst van een massamaatschappij. Juist het geloof vormde in de moslimwereld een urbane `hoge cultuur' die allerlei volksgeloof en heiligenverering naar de periferie verdreef (terwijl die in het christendom werden geïncorporeerd, bijvoorbeeld in de Maria-cultus). Wat het nationalisme vervolgens in de negentiende eeuw werd in Europa het streven naar een seculiere, uniforme gemeenschap van volksgenoten werd het fundamentalisme voor de islam. Gefnuikt superioriteitsgevoel ten opzichte van het ooit zo achterlijke Westen, dat hen nu aan alle kanten voorbijstreefde, was het laatste ingrediënt voor een explosieve islamitische herleving.

De analyse van Gellner maakt ook duidelijk dat het terrorisme van Bin Laden alweer van een andere, modernere orde is. Deze held van het antiwesterse terrorisme is een natieloze vrijbuiter, een religieuze entrepreneur, die de antiwesterse lading van het islamisme naar zich toetrekt en geheel op eigen gezag een jihad uitroept. Zijn `politieke islam' heeft de donkere kant van de moderniteit al huiveringwekkend bemeesterd: suïcidale massaterreur, met inschakeling van technici en academici, en een mondiaal netwerk van bankrekeningen, bedrijven, wapen- en heroïnehandel.

Afgaande op de schaarse bronnen is het doel van Bin Laden destabilisatie van de complete regio, omverwerping van westers gezinde regimes en vestiging van een theocratie. De gematigde moslimregeringen en bevolkingen dreigen nu bekneld te raken tussen de gefrustreerde massa's die weglopen met hun held Osama, en de coalitie die bij monde van Tony Blair een nieuwe wereldorde belooft. Het gevaar is nu dat de islamitische wereld, waar een nijpend gebrek heerst aan democratie en vrijheid, door de spectaculaire terreur van de islamisten in een permanente verlamming raakt. De paradoxale moderniteit van de islam, en het sociaal-ethische kapitaal van deze godsdienst, zou juist moeten worden benut om die houdgreep te breken.