Het andere front

De strijd is niet gericht tegen de islam; het Westen voert geen godsdienstoorlog. Dat is steeds de boodschap geweest die Westerse politieke leiders hebben uitgedragen na de terreuraanvallen op New York en Washington. Ook nu weer, na de bombardementen op Afghanistan, is de bezweringsformule dezelfde. De oorlog tegen het terrorisme is geen nieuwe kruistocht. Maar extremistische moslims, waar dan ook in de wereld, zien dat anders. Zij zijn in oorlog met de ongelovigen, de half-gelovigen, de afvalligen. De ongelovigen, dat zijn wij – het Westen. De half-gelovigen zijn de talloze moslims wier zielen door de fundamentalisten nog te winnen zijn. Ze behoren in meerderheid tot het kamp van de vrede en de redelijkheid, keuren de gewelddadigheden van 11 september af en wensen in wezen maar één ding: een voorspoedig leven voor zichzelf en voor hun kinderen.

Dat is precies het probleem: leven in voorspoed. De politieke situatie in de meeste islamitische landen varieert van ongemakkelijk tot ronduit slecht. Mede als gevolg daarvan zijn de sociaal-economische omstandigheden waaronder hele volksmassa's leven, dramatisch te noemen. De rijkdom is ongelijk verdeeld. Dictatuur, geestelijke oppressie, een snel groeiende bevolking met weinig om handen en de afwezigheid van een gezonde economie bieden een perfecte voedingsbodem voor ongenoegen, rancune en haat. In die troebele vijver vissen de extremisten. Ze doen dat in de Palestijnse gebieden en in landen zo uiteenlopend als Egypte, Algerije, Irak, Afghanistan of Indonesië. Het is tragisch en achteraf laakbaar dat het Westen het grote vraagstuk van de islamitische wereld – dat van de politiek-economische misère – wel heeft onderkend, maar er de afgelopen decennia weinig aan heeft bijgedragen om het te helpen oplossen. Voor deze betrekkelijke terughoudendheid zijn tal van legitieme redenen aan te voeren, maar die doen nu niet ter zake. De situatie is zoals ze is: politieke en economische uitzichtloosheid die gepaard gaan met een jarenlange haatcampagne tegen Israël, de joden, Amerika, het Westen, de ongelovigen. In het ene land gebeurt dit openlijker dan in het andere. De toestand is niet overal gelijk. Maar dat het moslimextremisme bestaat en zich op een gruwelijke manier manifesteert, hoeft geen verbazing te wekken. Er was de historische desinteresse van de regimes voor sociale issues – een gat dat de geestelijkheid vulde - er was een voedingsbodem van dictatuur en corruptie, er waren leiders die inspeelden op onlustgevoelens. De tijd deed de rest.

De coalitie van president Bush moet nu eerst militair-strategisch haar zaken afwikkelen. Makkelijk zal dat niet zijn, gelet op de omstandigheden en de onvoorspelbaarheid van oorlogsvoering. Maar de zwaarste taak wacht nog. Die staat los van het al dan niet oppakken van Osama bin Laden en is samen te vatten in een simpele vraag: hoe kan het Westen helpen bij het brengen van welvaart en uiteindelijk democratie in de islamitische wereld? De primaire verantwoordelijkheid daarvoor dragen de landen in kwestie zelf. Goed bestuur begint en eindigt daar. Maar Amerikaanse en Europese steun zijn onontbeerlijk, alleen al uit eigenbelang.

De keuze tussen extremisme en redelijkheid, te maken door de lagere- en middenklassen in steden als Kairo, Jakarta of Kabul, wordt bepaald door het welvaartsperspectief. Valt dat weg, dan zullen de extremisten hun kans grijpen en de aarzelaars en de half-gelovigen hun kamp proberen in te lokken. Naarmate politieke geborgenheid en economisch succes toenemen, zal de belangstelling voor het fundamentalisme afnemen. Het is niet voor niets dat Bin Laden zich religieus-moreel uit. Daar valt wat te verdedigen – en te winnen. Op ieder ander gebied, maar vooral op dat van economie en democratie, heeft hij alleen maar te verliezen. Juist hier, op het andere front, zal de coalitie moeten toeslaan. Niet met wapens, maar met hulp, advies, inzicht en geld.