Bos scherpt regels aan voor fiscale vrijstelling

Nederlandse ondernemingen die een deelnemning van vijf procent of meer hebben in Europese beleggingsdochters, krijgen te maken met scherpere regels voor fiscale vrijstelling. Alleen bedrijven die daadwerkelijk activiteiten hebben in het buitenland komen nog voor de vrijstelling in aanmerking.

Dat blijkt uit het laatste deel van het Belastingplan 2002, dat gisteren naar de Kamer is gestuurd. Staatssecretaris Bos (Financiën) wil met de aanpassing voorkomen dat Nederlandse bedrijven misbruik maken van de regeling. Nu gebeurt dat in de ogen van Bos nog teveel.

De deelnemingsvrijstelling is een fiscale regel die bepaalt dat bedrijven of personen die een belang van vijf procent of meer in een ander bedrijf hebben over de winst daaruit geen belasting hoeven te betalen. In principe mogen bedrijven die in een buitenlandse beleggingsinstelling deelnemen deze regeling niet gebruiken. Nederlandse bedrijven die een beleggingsdochter binnen de Europese Unie hebben, mogen echter wel gebruik maken van de deelnemingsvrijstelling, mits zij aan aanvullende criteria voldoen.

Om ook inkomsten van dochterbedrijven buiten de Unie onder de vrijstelling te laten vallen, werken bedrijven met `satelliet-bedrijfjes' in Europese lidstaten die andere regels hanteren dan Nederland. Veel van deze satelliet-bedrijfjes zijn speciaal opgericht om voor de vrijstelling in aanmerking te komen.

De deelnemingsvrijstelling wordt toegekend omdat de winst van dochterondernemingen over het algemeen al elders is belast (in het land waar de onderneming is gevestigd). Als in het buitenland minder winstbelasting wordt geheven, behaalt de houder van de deelneming een fiscaal voordeel. De regeling, die algemeen gezien wordt als een grote stimulans voor het vestigingsklimaat voor ondernemers, is in Brussel bekritiseerd, maar vindt inmiddels veel navolging.