Uitwonen en diepgaan

De Kneet ging er altijd prat op dat hij als stratenmaker de stenen op de Dam had gelegd. Hoe hij hele dagen met zijn knieën in het zand zat en de stenen er een voor een gewetensvol in hamerde. Hij had er leren afzien, zei hij vaak. Zo had een man van eenvoudige afkomst in zijn jonge jaren geleerd wat werken was, zonder te zeuren dat het koud was of dat het regende.

Gerrie Knetemann verwees er vaak naar wanneer hij druipend van het zweet, snuivend als een trekpaard en piepend als een strontkar over de finish was gerold. `Uitgewoond', noemde hij dat. Want hij was een taalvernieuwer, hoe tenenkrommend zijn vondsten ook vaak waren. Maar Knetemann was vooral een wielrenner die met relatief weinig talent veel wedstrijden won. Een wielrenner die ging wanneer hij moest gaan, die tijdritten won omdat pijn hem niet hinderde maar juist tot grote daden bracht een sportman die `diepgaan' tot overlevingskunst verhief.

Zoals hij in 1978 op de Nürburgring in afwachting van de huldiging als wereldkampioen grienend op het erepodium zat, en in de regenboogtrui met de armen omhoog breeduit stond te huilen dat was bijzonder. Zoals hij in 1985 als winnaar van de Amstel Goldrace op het erepodium nog dikkere tranen plengde – dat was pas echt aangrijpend. Omdat Knetemann twee jaar eerder zwaar gewond was geraakt bij een val in België en hij een jaar nodig had gehad om te genezen. Pezen, spieren en zenuwen waren gescheurd, botten gebarsten en gebroken. De onverwoestbare Kneet lag maandenlang in een ziekenhuis in de hoop dat hij niet verder in het leven moest als een invalide man.

Knetemann vocht terug, want ,,de Knetemanns zijn vechters'', zei vader Gerrit een paar jaar eerder al eens. Toch was zoon Gerrie niet alleen een rauwdouwer. Hij stond vaak stil bij het leven, al ver voor het ongeluk. Zo vertelde hij me in een urenlang gesprek in een hotelkamer dat hij boeken las over de Grieken, Romeinen en Chinezen, over Darwin, Boeddha, Allah en Jezus. Op zijn nachtkastje lag In de ban van de ring van Tolkien. Maar het leven was geen sprookje. Hij wilde weten hoe `het' was ontstaan en zover was gekomen. Sport was niet belangrijk, zei hij, wielrennen evenmin, maar ze bieden je de kans om het beste uit jezelf te halen. Anderhalf jaar eerder was hij wereldkampioen geworden. Het was geen beloning, maar een stap op weg naar loutering.

De Kneet was als wielrenner een twijfelaar, een eigenschap die hij terecht als een zegening beschouwde. Hij leefde en fietste op emotie. Naijver en afgunst waren hem niet vreemd. Hij kon heel naar doen tegen omstanders, op z'n Amsterdams mensen op gruwelijke wijze jennen. In besloten kring was hij redelijk en humaan, een echt mens. Toen Zoetemelk in 1980 de Tour won, nam Knetemann zijn verlegen kopman bij de hand en leidde hij hem samen juichend met Joop over de eindstreep in Parijs. De Kneet lachte en huilde tegelijk.

Knetemann, Jan Raas en Peter Post (hun ploegleider) waren keiharde, gedreven mensen. Ze scholden elkaar uit, zeiden elkaar de waarheid en spaarden niemand wanneer prestaties werden verlangd. Daarom wonnen ze zoveel wedstrijden. Nu is Knetemann (50) al jaren ploegleider en vader van de Nederlandse profs die wereldkampioen willen worden. Hij is hard en gedreven, maar redelijker en humaner dan voorheen.

Je ziet aan De Kneet dat hij twijfelt aan zijn renners. Maar je ziet ook dat hij moed houdt. Positief blijven heeft zin, ervoor gaan nog meer. Op het WK van 1978 droeg hij rugnummer 76. `Zeven plus zes is dertien', riep Knetemann, die allergisch is voor nummer 13, tegen zijn vrouw Gré. `Ja, maar zeven minus zes is één.' Een dag later werd hij wereldkampioen. Knetemann heeft geleerd wat hij jonge mensen moet geven: hoop en zelfvertrouwen. Maar ook: pijn hoort erbij.