Column

Supporter

Zaterdagavond wierp ik in de pauze van mijn voorstelling een blik op de televisie. Ik zag voetbal. Nederland-Andorra. De wedstrijd werd serieus uitgezonden. Ik had Louis in voorbeschouwingen al gehoord over supporters. Hij noemde zelfs een aantal van twintigduizend. Ik wist niet dat die geestelijk gehandicapten zo lang mochten opblijven. Het was aandoenlijk. Een wedstrijd voor de kat zijn viool en een stuk of twaalf multimiljonairs zijn daarvoor hun huis uitgekomen. Om te voetballen tegen twee postbodes, een puntlasser, een manke stucadoor, een gymnastiekleraar, een politieagent, een man van de plantsoenendienst, een IT-er, een al wat oudere bakkersknecht, een man met een wolwinkeltje en een hobbelpaardontwerper.

Dat de wedstrijd nog reglementair gespeeld moest worden is allemaal best, maar doe dat ergens in stilte op een bijveld. Daar misbruik je toch geen twintigduizend geestelijk gehandicapten voor? En je laat het toch niet door een televisieploeg opnemen, laat staan uitzenden? Je vraagt toch niet aan Frits Barend of hij na afloop met de bondscoach wil babbelen. En als je Frits Barend bent, dan doe je dat toch niet. En als bondscoach toch ook niet? Na zo'n potje ga je toch allebei lekker naar huis. Pak een boek, huur een film, neem een borrel of vrij je vrouw naar de zevende hemel, maar je gaat er toch niet over praten op televisie?

Dan is er toch iets structureel mis met het land en zijn bewoners. Na Ierland was het toch klaar? Dat we tussen geboorte en dood met zijn allen een onzinnig spel spelen, weet ik. Dat mensen alles op televisie willen laten zien is duidelijk. Maar als we nu ook het meest onzinnige voetbal gaan uitzenden en ook nog eens serieus gaan analyseren, dan is het toch wel heel droef gesteld met ons allemaal.

Het wordt tijd dat er weer eens een oorlog komt.