Oorlog

In tijden van oorlog hoort de tijd te stollen. Die van de stopwatches en de grote klokken die in stadions hangen. Sport verhoudt zich tot oorlog als de duif tot de kooi die hem gevangen houdt. Rinus Michels en zijn beruchte ,,voetbal is oorlog'' is een aberratie, een kiem van ziekelijkheid ontsproten aan een geest zonder historisch besef.

In een ver verleden was het precies andersom. Toen werd er van de krijger verwacht dat hij zijn zwaard en zijn schild aan zijn voeten zou neerleggen om een stenen discus door de lucht te laten vliegen. Daarna pas werd de oorlog een serieuze zaak. Er is geen sprake meer van om kanonnen het zwijgen op te leggen en vliegtuigen aan de grond te houden om mannen met blote handen in een ovaal van sintel rondjes te zien draaien.

Als het bloed rijkelijk vloeit, worden geen bergen beklommen en wordt niet over een lat gesprongen. Geen Tour, geen Spelen. Er gapen twee zwarte olympische kloven in de meest gewelddadige eeuw die de geschiedenis heeft gekend. De laatste was zelfs twaalf jaar breed en aan zijn randen werd de oorlog door twee steden samengevat: Berlijn en Londen.

Gisteren begon een nieuwe oorlog, maar de tijden zijn alweer veranderd. Ballen zullen blijven rollen en wielen zullen blijven draaien. Er moet heel wat verrijkt uranium als lava over de aarde stromen en er moeten reuze paddestoelen uit de grond schieten om dit te veranderen.

Daarom vind ik de foto in de krant van vanochtend even dwaas als de woorden van Michels. Op deze foto staat een groepje mannen naar een enorm scherm werkloos te kijken. Het scherm hangt boven de tribunes van het honkbalstadion van St. Petersburg, Florida. De mannen in witte shirts en met donkere petten staan klaar om het straks tegen de New York Yankees op te nemen. Links van het scherm flikkert de Amerikaanse vlag en rechts staat in schitterende letters geschreven United we stand. In het reuze venster, als een importune gast die zich voor het raam van je huis heeft gepost en onbeschoft naar binnen staat te turen, zien we een president met een donkerblauw kostuum, een wit overhemd en een rode stropdas. De aanvoerder van de nationale ploeg draagt de nationale kleuren. Hij praat over tactiek en offensief, zoals men weet altijd de beste verdediging. Totaal spel, maar beperkte doelen. Ik ben een moralist die vindt dat je in een stadion niet over oorlog moet praten.

De president vertelt de spelers dat de eerste bommen al op Afghanistan zijn gevallen. De mannen nemen kennis van de boodschap. De nummer 9, een zekere Gomez, leunt nonchalant op zijn honkbalknuppel. Nummer 28, Cox, heeft zijn armen over elkaar gekruist terwijl Winn, met rugnummer 2, zijn handschoen half uit zijn kontzak heeft hangen. Alsof het hun trainer betreft luisteren ze beleefd en aandachtig naar de man die over bommen vertelt. Het zal niet lang duren en als het venster straks wordt gesloten, als de praatgrage gluurder zijn rug gaat keren, zal iedereen zijn positie innemen om de eerste bal de lucht in te jagen. Schokkende foto.

Zaterdagavond besloot Frankrijk een vergeten oorlog eindelijk af te sluiten en koos daarvoor het mooiste stadion van het land, het Stade de France in Parijs. Alweer een aberratie. Voor het eerst in veertig jaar, sinds het einde van de bloedige strijd tussen Frankrijk en Algerije, speelden beide landen een voetbalwedstrijd tegen elkaar.

Zinedine Zidane was de enige speler van de Franse ploeg die door de massaal aanwezige migranten van Algerijnse komaf niet werd uitgevloten. Toen de Franse nationale hymne werd gespeeld, ontplofte het stadion in boegeroep. Na 76 minuten, zonder zich maar iets van de geschiedenis aan te trekken, stonden de Fransen met 4-1 voor.

Wie had ook al weer die vergeten oorlog veertig jaar geleden in zijn voordeel beslecht? Algerijnse supporters kwamen het veld op, schreeuwend ,,we hebben gewonnen'', met als enige getuigen de geschiedenis en wat persfotografen. De wedstrijd werd definitief gestaakt. Sport en oorlog vloeken met elkaar.