Goden kiezen

Omdat hij vijftig werd had onze vriend al zijn vrienden uitgenodigd en ze in een restaurant bij elkaar gezet dat toepasselijk `La storia della vita' heette en daar had hij ze royaal onthaald. Het is gewoon om je vijftigste te vieren en vrienden uit te nodigen en juist daarom denk je niet meer zo vaak aan wat de reden zou kunnen zijn om dat te doen. Onze vriend had daar wel aan gedacht. Aan het eind van de avond sprak hij ons, zijn vrienden, vrouw, broers, moeder, zonen toe. En hij deed dat niet door `jullie' tegen ons te zeggen. Hij zei `jij'. En steeds was er tenminste één hoofd dat kon knikken bij zo'n jij-zin, en soms waren er meer, en sommige hoofden knikten heel vaak. Ja, ik heb je eerste en je tweede kind uit de wieg getild, ja, ik was getuige bij je huwelijk, ik weet nog hoe erg de breuk met je eerste vriendin was, ik sliep met je in een stapelbed, ik las je eerste gedichten, ik heb je geheimen gehoord, ik was met je op Vlieland, ik hoorde je voor het eerst de naam van je vrouw noemen, ik ken je aan het ontbijt en diep in de nacht, ik heb je kindergehuil gehoord, ik zal er nog zijn als jij er niet meer bent. Wij allemaal, zoals we daar zaten werden één geheel. En dat geheel was veel groter dan we hadden kunnen denken. Het deed eigenlijk aan iets anders denken uit zijn woorden, uit zijn `jij' rees iets goddelijks op. Een alziend oog, een alomtegenwoordigheid.

Religie is een taal dacht ik maar weer eens. Maar dat is geen gedachte van deze tijd, want in deze weken is religie helemaal geen taal, maar een gevaar. Je kunt geen krant of tijdschrift openslaan zonder dat iemand zich over de islam uitspreekt, over het willen sterven voor God, over het willen moorden voor God en of dat nu wel of niet islamitisch is. En nee, dat is niet islamitisch, zo min als het christelijk is of hindoestaans, maar dat wil nog niet zeggen dat het niet uit naam van een god gebeurt.

Wat we Bin Laden gisteren konden horen zeggen, dat hij God dankte voor de angst in Amerika, zijn hartelijke wens dat God iedereen mocht straffen die niet aan zijn kant stond – die oorlogstaal met boze brokjes god kan ook heel goed met een vroom gezicht uitgebracht worden.

In de roman De arkvaarders van Anne Provoost wordt, zonder dat iemand tot een oplossing komt, veel gepraat en gedacht over het kiezen van goden en wat dat vervolgens betekent. Het boek vertelt het verhaal van Noach en zijn zonen die door hun god gewaarschuwd zijn voor de zondvloed en zich redden door een ark te bouwen waarop geen andere mensen mogen, alleen dieren. Een verhaal waarin de wreedheid al besloten zit, want alle andere mensen dan de rechtgeaarde gelovige Noach en de zijnen zullen verdrinken. De vrouwen van Noachs zonen geloven niet allemaal in die onbenoembare god van Noach, maar ze zullen wel gered worden. Veel van de mensen die aan de ark bouwen, aanbidden andere goden, zelfs de zonen van Noach raadplegen op een dag een priesteres van de goden die hun vader tegenwoordig verwaarloost. De hoofdpersoon, een meisje van een ander volk, verbaast zich over de keuze van de arkbouwers voor die god die met een ramp dreigt. Ze hadden, denkt ze `een god gekozen waarvoor ze in angst leefden. Dat was wonderlijk, wij hadden de gewoonte om goden te kiezen die ons met rust lieten in plaats van ons te tergen'. Goden te kiezen, zegt ze. Ze zegt niet dat de goden de mensen kiezen en dat is ook niet zo. In dit boek hebben bovendien al die goden wel een zeker gelijk. De priesteres in de grot voorspelt dat Noach twee van zijn zonen zal zegenen en één zal vervloeken. Dat gebeurt inderdaad. De Onbenoembare laat weten dat hij de aarde zal verwoesten met een zondvloed. Dat gebeurt ook. Dat die goden gekozen zijn door de mensen, en dat ze gevormd zijn naar wat zij verlangen, hopen of vrezen, wil nog niet zeggen dat ze krachteloze verzinsels zijn.

Afgelopen zaterdag beschreef Michael Stein in Trouw, in een heel helder stuk over de verschillen in het denken van `islamisten' en gewone moslims, de verschillende religies als warenhuizen ,,waarin iedereen datgene kan vinden wat hij zoekt: vrede en tolerantie, naast oorlog en genadeloze uitroeiing. Alle waar is voorradig en de klant kiest wat naar zijn gading is.''

Het is vrijwel hetzelfde als wat het meisje in Anne Provoosts boek zei. Ieder kiest zijn goden al naar gelang. De verkeerde keus is niet de schuld van het woord `God' of `Allah' maar van degene die kiest. De beelden zijn niet gevaarlijk, de uitleg kan dat zijn.

Onlangs las ik een Engelse vertaling van een gedicht van de grote Poolse dichter Czeslaw Milosz, waarin hij het woord `engel' weer met betekenis probeert te vullen. Hij weet wel dat engelen afgeschaft zijn, dat gezegd wordt dat ze maar een verzinsel zijn van mensen, maar dat vindt hij onbelangrijk. Wat hij belangrijk vindt is de stem die hij soms hoort in zijn slaap, die niet van een mens afkomstig kan zijn, en waarin hij een `oproep' hoort `in een onaardse taal': ,,day draws near/ another one/ do what you can''.

Het is wel duidelijk dat in dit gedicht die engelen en hun onaardse spreken, ingezet worden om het appèl `doe wat je kunt' krachtiger te maken, dwingender. En het is ook wel zeker dat Milosz met die oproep niets terroristisch bedoelt maar eerder iets humanistisch. En dat het beeld of het woord `engelen' daarbij helpt. Het verlangen naar een stem, het verlangen naar een `jij' die toekijkt en luistert, die aanwezig was toen je je leven leefde, die wil dat je het goede doet.

Ik wil blijven denken dat religie een taal is om over dat verlangen te praten. In diezelfde taal kunnen heel andere dingen gezegd worden, het is niet anders. Toch beter maar wel die taal redden, waarin uitgedrukt kan worden wat op geen enkele andere manier gezegd kan worden. ,,All was taken away from you: white dresses,/ wings, even existence./ Yet I believe you,/ messengers.''