Dichters in de schaduw van Pessoa

Vier Portugese dichters droegen in Rotterdam voor uit hun overvloedige, cerebrale werk. ,,Er is leven na Pessoa'', zei inleider Gerrit Komrij.

Voor de meeste mensen staat de Portugese poëzie gelijk aan het werk van Fernando Pessoa. Maar `er is leven na Pessoa', zoals Gerrit Komrij zei, vrijdagavond in het Bibliotheektheater in Rotterdam, tijdens zijn introductie van vier hedendaagse Portugese dichters. Toen Komrij in 1984 in Portugal ging wonen, ontdekte hij een `erg levendig en ruzieachtig' poëzieklimaat, waarin de figuur van Pessoa `nauwelijks meer een rol speelt'. Op de achtergrond keek ondertussen Pessoa met bril en hoed wat benauwd de zaal in, op de poster van het tweedaags programma `De Taag is een weg naar de wereld'. De uitverkochte zaterdagavond zou exclusief aan hem gewijd zijn.

Op de vrijdagavond ging het echter om de Portugese dichters van nu, door Komrij uitgekozen: António Franco Alexandre, Fernando Pinto do Amaral, Nuno Júdice en Helder Mouro Pereira, namen die op zichzelf al de belofte van poëzie in zich dragen. August Willemsen, in de zaal aanwezig, ontving een applaus voor zijn vertalingen van de gedichten, die tijdens de voordrachten simultaan op een scherm werden geprojecteerd. Ze zijn te vinden in een onlangs verschenen Portugal-nummer van het tijdschrift Tirade.

Bij zijn inleiding van de `postmoderne' dichter Fernando Pinto do Amaral, met zijn 41 jaar de jongste van het gezelschap, merkte Komrij op: ,,Iedere Portugese dichter noemt zich postmodern. Ik weet niet precies wat dat betekent. Ik denk dat ze er niet iets mee willen verklaren maar verduisteren''. Dat Fernando Pinto do Amaral de verschijnselen van de moderne tijd niet schuwt, bleek uit `Zeitgeist'. Het ironisch commentaar van de dichter op zijn `tijdgenoten' en hun `miljoenen holle frasen' werd met gelach beantwoord: `dan zou ik/ minstens zo onnozel willen zijn als zij,/ in elke trilling van hun lippen opgaan,/ in de ijdele steekvlam van hun schaterlach/ tot in de vroege ochtend. Maar toch/ overvalt mij dan de slapheid/ zo te willen blijven, luier nog dan een Oblomov/ op z'n Portugees'.

Misschien is korte en kale poëzie toch typisch voor Nederland of Noord-Europa: alle Portugese dichters bezaten een lange adem. Nuno Júdice las een verhalend gedicht voor over een treinreis tussen Beja en Lissabon. Dat gedicht kon ook moeilijk met een paar regels klaar zijn, want het speelde in `de tijd waarin de trein op alle stations stopte'. António Franco Alexandre hield het bij één gedicht dat wel een kwartier duurde, `rosencrantz, dramatische episode'. Het was de evocatie van een obsessie voor een vrouw, opgeroepen in lange regels, waarin herhaling op herhaling werd gestapeld. Dat Alexandre filosofie doceert was te merken: in het gedicht redeneert hij er op los als een dolgeworden professor. Eigenlijk herinnerden op deze Portugese avond de vele cerebrale, overvloedige gedichten met hun parlando-toon zeer sterk aan één man wiens `schaduw', aldus het programmaboekje, `alom aanwezig is'.