De ondergang van de Lutine

Het Engelse fregat de Lutine doet zijn naam alle eer aan: de kwelgeest. Wat in oktober 1799 op een routineklus leek, werd een scheepsramp met een financiële schade van ongekende omvang. Het schip strandde in het zeegat tussen Vlieland en Terschelling. De talloze pogingen die in de loop der jaren ondernomen werden om de lucratieve lading boven water te krijgen, werden voor de bergers een nachtmerrie. Ze eindigden niet zelden met een bankroet.

De Lutine werd in 1779 op de beroemde scheepswerf van Coulomb in Toulon gebouwd en maakte deel uit van de Franse Middellandse-Zeevloot. In 1793 kwam het schip zonder slag of stoot in handen van de Engelsen. Nadat het was aangepast aan de Engelse standaard, werd het ingezet bij de acties van de Royal Navy op de Noordzee.

Terwijl de Lutine klaar lag om de Engelse invasie bij Bergen in Noord-Holland te ondersteunen, kreeg het schip begin oktober 1799 plotseling een andere opdracht: een eenvoudig reisje zonder risico's naar Cuxhaven, de voorhaven van Hamburg. In Hamburg was een ernstige economische crisis ontstaan. Bankiers uit Londen met belangen in Hamburg wilden met een financiële injectie de crisis bezweren. Daartoe diende gemunt geld en een partij goud en zilver overgebracht te worden. Door de vertragingen van de pakketboten wendden de bankiers zich tot de Admiraliteit met het verzoek een oorlogsschip ter beschikking te stellen. Zo werden op 8 oktober 1799 de uitzonderlijke lading en een dertigtal passagiers aan boord van de Lutine gebracht.

In de daaropvolgende nacht werd, bij een heldere hemel en een matige westelijke wind, koers gezet in de richting van de noordelijkste Waddeneilanden. In de loop van de dag wakkerde de wind aan en draaide in noordelijke richting. Tegen de avond stond er uiteindelijk een stevige storm uit noord-noordwestelijke richting, vergezeld door zware regenbuien. Waarschijnlijk is hierdoor de Lutine enkele mijlen te zuidelijk bij de eilanden uitgekomen. In het duister van de nacht liep het schip op een zandbank, ter plaatse bekend als het IJzergat. Het zwaargebouwde oorlogsschip werd in hooguit zes uur geheel aan stukken geslagen. Hoewel de stranding plaatsvond op slechts drie mijl van het strand van Vlieland en vier mijl van het strand van Terschelling, verdwenen alle 270 opvarenden in de golven; waarschijnlijk overleefde slechts één man de ramp.

Over de hoeveelheid goud en zilver die aan boord was, zijn de deskundigen het al twee eeuwen oneens. De enige instantie die wist voor welk bedrag de lading verzekerd was, de Engelse verzekeringsmaatschappij Lloyd's, raakte bij een grote brand in 1838 in de Beurs van Londen al haar documenten over de Lutine kwijt. Volgens de meest betrouwbare schatting was er – omgerekend naar de huidige waarde – voor bijna 50 miljoen gulden aan goud- en zilverstaven aan boord. Daarnaast was er voor meer dan £ 300.000 in contant geld aan boord, omgerekend een bedrag van 15 miljoen gulden.

Vandaar dat de Engelse autoriteiten, toen ze de ondergang van de Lutine vernamen, uiterst geheimzinnig deden en direct tot actie overgingen. `Sent the Cutter to prevent the Dutch from robbing Her' was de inhoud van de eerste missive. Dit was niets te veel gezegd. Nadat enkele formaliteiten geregeld waren, begon Robbé, de drossaard van Terschelling en uit dien hoofde ook de strandvonder, al in januari 1800 met de eerste poging om het wrak te bergen. Pas in augustus van dat jaar werden de eerste successen geboekt. Nadat een open vaatje met zeven staven goud en een kist met 4.606 Spaanse matten (een zilveren munt ter waarde van acht realen) waren geborgen, brak op Terschelling de goudkoorts uit. De in september behaalde successen – onder andere 13 staven goud, 15 staven zilver en bijna 30.000 Spaanse matten – wakkerden de ondernemingszin bij de eilanders alleen nog maar aan.

De slechte verpakking van het goud en het geld, in vaten met houten hoepels erom, bemoeilijkte de berging aanzienlijk. Het wrak begon in snel tempo uit elkaar te vallen. De bergers kregen het steeds moeilijker omdat ze op een diepte van acht meter met hun grijpers en tangen lukraak hun weg moesten zoeken tussen verrot touwwerk, zeilen, verroeste geweren, sabels en andere voorwerpen. De geringe successen maakten dat het toch snel weer stil werd rond de Lutine. In 1814 was er een kleine heropleving van de belangstelling, maar de bergers moesten tot hun leedwezen vaststellen dat het wrak helemaal met zand overdekt was.

Sindsdien zijn er met grote regelmaat de meest fantastische pogingen ondernomen om de Lutine bloot te leggen en haar schatten naar boven te brengen. In 1822 ontwierp de Engelse ingenieur Rennie een van gietijzer vervaardigde duikerklok, die in de praktijk niet bleek te werken. In de jaren dertig van de negentiende eeuw kwamen de eerste duikpakken op de markt, maar ook de hiermee uitgeruste goudzoekers haalden geen goud naar boven. Pas in 1858 gaf de Lutine weer een aanzienlijke hoeveelheid van haar schatten prijs: in enkele weken tijd brachten duikers uit Egmond 64 zilveren en 27 gouden staven naar boven. Tijdens deze bergingsoperatie werd ook de scheepsbel teruggevonden. Deze neemt nu een prominente plaats in het hoofdkantoor van Lloyd's in de City van Londen in; nog steeds luidt men de Lutine bell wanneer een total loss van een bij Lloyd's geregistreerd schip te betreuren is.

Ook nadien bleven avonturiers en uitvinders proberen iets van de schatten te bergen. Een complicerende factor was dat de Lutine steeds dieper in het zand kwam te liggen en de verraderlijke zandgronden voortdurend van plaats veranderden. De meest spectaculaire, maar tegelijkertijd ook de meest destructieve, poging dateert uit 1938. In dat jaar was de grootste tinbaggermolen ter wereld, de Karimata, gebouwd. Voordat dit kolossale vaartuig naar Nederlands-Indië versleept zou worden, mocht het boven Terschelling proefdraaien. De 160 machtige emmers met elk een inhoud van 400 liter, hadden weinig moeite met het zachte zand. Binnen enkele dagen werden de eerste zilveren munten uit de baggerspecie gevist. Pas na zeven weken werd de eerste goudstaaf gevonden. Omdat dit de enige bleef, deed al snel het gerucht de ronde dat deze goudstaaf een vervalsing was om aandeelhouders te bewegen meer geld in de onderneming te stoppen.

Sinds 1988 is de Monumentenwet gewijzigd, waardoor aan bergers geen vergunning meer wordt verleend. Geleidelijkaan vraagt men zich af of de omvang van `de schat van de Lutine' niet zwaar overdreven is en wint de gedachte veld dat de schatjagers al twee eeuwen een fata morgana najagen.

B. Huiskes en G. de Weerdt, De Lutine 1799-1999. De raadselachtige ondergang van een schip vol goud (Bussum, 1999).