Campagne tegen terrorisme vereist lange adem

Het besluit van de Amerikaanse regering om na de aanslagen van 11 september terug te slaan, is volkomen gerechtvaardigd. Maar in de strijd tegen het wereldterrorisme zullen nog veel hindernissen genomen moeten worden. Standvastigheid en vastberadenheid zijn nodig, meent Ivo Daalder.

Zesentwintig dagen nadat de terroristen hadden toegeslagen in het hart van Amerika, hebben de VS teruggeslagen. Als eerste salvo in een brede militaire campagne hebben de Amerikaanse strijdkrachten aanvallen ingezet op militaire sleuteldoelen in Afghanistan. De oogmerken van deze operatie zijn duidelijk: het terroristische netwerk binnen Afghanistan te vernietigen en ervoor te zorgen dat het land nooit meer zal worden gebruikt als basis voor terrorisme tegen de Verenigde Staten of enig ander land.

Het besluit van Washington om terug te slaan is volkomen gerechtvaardigd en geniet brede steun in binnen- en buitenland. Premier Tony Blair toonde de Engelse steun door aan de actie deel te nemen, waarbij Engelse kruisraketten werden afgevuurd op doelen diep in Afghanistan. Andere bondgenoten, waaronder Australië, Canada, Frankrijk en Duitsland, hebben strijdkrachten voor toekomstige operaties aangeboden. Nog eens veertig landen steunen de actie indirect door mee te werken op inlichtingenterrein of hun luchtruim open te stellen voor Amerikaanse vliegtuigen.

Het eerste salvo was beperkt – volgens het Pentagon bestond het uit 50 kruisraketten, plus bommen, afgeworpen door 25 toestellen van vliegdekschepen en nog 15 andere bommenwerpers, die in een aantal gevallen de halve wereld waren overgevlogen om hun doel te bereiken. Het onmiddellijke doel was de verwoesting van het primitieve luchtafweer-netwerk van grond-luchtraketten, de kleine luchtmacht van de Talibaan en welke concentraties van lucht-luchtartillerie er verder nog te vinden waren. Daarnaast zijn waarschijnlijk militaire sleuteldoelen aangevallen zoals munitiedepots, commando- en controleposten, en communicatie-locaties (waar onder radiozenders).

Zodra het luchtruim onder controle is, kunnen Amerikaanse transportvliegtuigen de hoognodige voedselvoorraden bij de vele Afghanen in nood bezorgen. Ook is dan de weg geopend voor `bestendige antiterroristische operaties', om met minister van Defensie Donald Rumsfeld te spreken - vermoedelijk in de vorm van speciale eenheden die de leiding van Al-Qaeda, met inbegrip van Osama bin Laden zelf, opsporen en uitschakelen.

Even belangrijk is de uitdrukkelijke Amerikaanse bedoeling om het militaire machtsevenwicht in Afghanistan te doen verschuiven ten nadele van de Talibaan en ten gunste van de rebellen en andere oppositiekrachten – en uiteindelijk de afzetting te forceren van de heersende islamitische extremisten die weer het terroristische netwerk rondom Bin Laden steunen (en vice versa).

Hoe welkom deze eerste militaire inval ook mag zijn, het is goed te bedenken dat dit maar het begin is – of het begin van het begin – van de huidige Amerikaanse strijd tegen het wereldterrorisme. Er blijven nog tal van hindernissen over die genomen moeten worden wil de strijd tegen het wereldterrorisme slagen.

De meest kritieke hindernis blijft de opsporing van Osama bin Laden en zijn luitenants in het Al-Qaeda-netwerk. Het belang hiervan werd nog onderstreept door de bijna ongelooflijke verklaring van Bin Laden die werd uitgezonden binnen enkele minuten nadat de eerste bommen in Afghanistan waren ontploft – en waarin hij nagenoeg de verantwoordelijkheid voor de gruwelen op 11 september opeiste.

Ten tweede lijdt het weinig twijfel dat Bin Laden opnieuw een vernietigende aanval op Amerika in de zin heeft – zeer waarschijnlijk op Amerikaanse bodem.

De Amerikaanse inlichtingen- en opsporingsdiensten moeten er alles aan doen om zo'n aanval te voorkomen. Als dat niet lukt, staan deze diensten voor de uitdaging om de gevolgen te beperken – niet alleen wat het aantal slachtoffers betreft, maar ook op psychologisch vlak.

Ten derde is er de uitdaging om Afghanistan na de verdrijving van de Talibaan weer op te bouwen. Het is een land dat door bijna een kwart eeuw onafgebroken oorlogvoering is verwoest. Het is ideologisch en etnisch verdeeld, economisch berooid, en een humanitaire nachtmerrie. Het zal een aanzienlijke internationale inzet vergen – met inbegrip van vele miljarden dollars aan hulp en een langdurige betrokkenheid – om het land weer op de been te krijgen. De geslaagde internationale pogingen om landen op te bouwen zijn schaars; maar nergens is de strategische, politieke en morele noodzaak om te slagen groter dan in Afghanistan.

Ten vierde moet de regering-Bush zich buigen over de vraag wat de omvang van de antiterroristische campagne moet zijn. Voor de meesten moet die campagne op dit moment primair gericht zijn op de daders van de aanslag op 11 september en hun directe aanhang – Osama bin Laden, het Al-Qaeda-netwerk en het Talibaan-bewind. Voor menig ander reikt de campagne onvermijdelijk verder en beslaat elke grote terroristische organisatie met een `mondiaal bereik' en de landen die daaraan steun verlenen. Praktisch gesproken houdt dat in Hezbollah en Hamas – plus Iran, Syrië en Irak. Terwijl de regering-Bush de huidige aanval wijselijk zuiver op Afghanistan heeft gericht, mag het daar niet bij blijven.

De vraag rijst wat de toekomst zal zijn van de breed geschakeerde internationale coalitie die de Amerikaanse regering de laatste paar weken bij elkaar heeft gebracht. Die coalitie bevat niet alleen een paar vreemde vrienden, maar voor een groot deel wordt ze meer bijeengehouden door de herinnering aan de gruwelen van 11 september dan door de bereidheid de lange en zware strijd tegen het terrorisme te voeren. Ze zal de komende dagen en weken gedurende de operaties in Afghanistan misschien wel standhouden, al zouden tegenslagen daar al een beproeving kunnen blijken. Maar het zal moeilijk, zo niet onmogelijk blijken om de coalitie in stand te houden zodra de strijd zich verplaatst en zal gaan tegen terroristen, hun netwerken en de landen die hen steunen buiten Afghanistan.

Amerika heeft de terroristen aangepakt die op één dag meer mensen op Amerikaanse bodem hebben gedood dan ooit eerder in de geschiedenis. Dat was te verwachten. Standvastigheid en vastberadenheid zijn nodig om het karwei te klaren – zo mogelijk met anderen, maar zonodig alleen.

Ivo Daalder is verbonden aan het Brookings Institute in Washington.