Trucs

Schakers lachen graag om middeleeuwse kerkvaders die het schaken wilden verbieden, maar wat ze dan vergeten is dat het toen niet ging om ons deugdzame spel, maar om praktijken die meer lijken op het ignobele `balletje-balletje' waarmee naïeve passanten tegenwoordig van hun geld gescheiden worden.

Er is een Latijns manuscript uit de tweede helft van de vijftiende eeuw dat je gerust een handleiding voor valsspelers kunt noemen. Die speelden hun partijen vaak niet vanuit de beginstelling, maar vanuit geconstrueerde stellingen die je tegenwoordig problemen of studies zou noemen. De argeloze tegenstander mocht dan kiezen of hij `wit' of `zwart' had, al noemden ze het toen nog niet zo.

Het middeleeuws advies ging ongeveer zo: `Mijn meester zei dat je in het begin zwak moest spelen en verliezen, en ook later nog wel eens, om de mensen tot spelen te verleiden, maar ik heb dit trucje nooit gebruikt.

Maar om goed te spelen en verlies te vermijden moet je de geheimen van de speler kennen. Er zijn veel trucjes en het eerste is dat een goed probleem niet is wat het lijkt, maar het omgekeerde. Ga dus aan de kant zitten die op het eerste gezicht lijkt te gaan winnen, dan zal de ander het bord omdraaien en zelf die kant nemen. Maar je kan daar niet op rekenen.'

`Een andere truc is dat je aan het begin doet alsof je het probleem niet goed kent en het verkeerd hebt opgezet, terwijl je het in werkelijkheid wel goed hebt opgezet. Als het dan mis dreigt te gaan, verander je de stelling een beetje, en de tegenstander zal geen argwaan hebben, omdat hij vanaf het begin al dacht dat je het probleem niet goed kende. Als hij dan toch nog de goede kant wil hebben, dan zeg je dat je het echt niet goed meer weet en je gooit de stukken door elkaar.'

`Er is nog een andere truc, die de gouden truc wordt genoemd. Je weet dat een goed probleem niet is wat het lijkt, maar het omgekeerde. Zeg daarom dat de kant die schijnbaar in het voordeel is, een dubbele inzet moet doen. Dan vraag je de tegenstander of hij met dubbele of enkele inzet wil spelen, en zo weet je welke kant hij wil hebben voordat je zelf de hoogte van je inzet bepaalt.'

Aldus goed voorbereid sloegen de professionele schakers in onze streken aan het eind van de Middeleeuwen op de druk bezochte markten hun slag, en op de Chinese jaarmarkten schijnt het nu nog steeds zo te gaan.

Deze oude traditie werd laatst tijdens een toernooi in Wales nieuw leven ingeblazen door de Engelsman Simon Buckley. Zijn slachtoffer Chris Duncan deed verslag in het septembernummer van Chess Monthly.

MfMmMmMm

agmMmgmM

MmMmMAMm

mgmMmMmM

MaMmMmMm

mGmMmMmM

MmMmMmMA

mLmMmMmM

Buckley zei dat hij dit met wit kon winnen en met zwart remise kon maken. Duncan mocht zijn kleur kiezen, onder de conditie dat remise winst voor de zwartspeler betekende. Duncan koos wit. Naar eigen zeggen dacht hij hier nog dat wit een dame zou kunnen halen, wat op een door honderden jaren van eindspelstudies onberoerde naïviteit zou wijzen.

1. h2-h4 Kb8-c7 2. h4-h5 Kc7-b6 3. h5-h6 Kb6-a5 Hier kreeg Duncan in de gaten dat promotie tot dame hem niets zou opleveren, omdat zwart zich dan pat zou laten zetten. 4. h6-h7 a7-a6 5. h7-h8P Niet 5. h8D wegens 5...b6 en wit kan pat niet meer vermijden. Nu echter zou 5...b6 verliezen wegens 6. Pg6 fxg6 7. f7 g5 8. f8P (ook 8. f8D is hier goed genoeg) g4 9. Pe6 g3 10. Pc5 g2 11. Pb7 mat. 5...Ka5-b6

Weer een tegenvaller voor Duncan. In de eerste partij speelde hij nu, kennelijk nog in de ban van de variant die hij net berekend had, 6. Pg6, maar hier was dat niet goed, want zwart deed natuurlijk niet 6...fxg6? maar 6...Kc7 en na 7. Pe5 Kd6 8. Pxf7+ Ke6 9. Pd8+ Kxf6 10. Pxb7 Ke5 werd het snel remise, zodat Buckley met zwart zijn eerste partij `gewonnen' had.

De tweede keer deed Duncan het beter met 6. Ph8xf7 Kb6-c7

MmMmMmMm

mgfMmHmM

gmMmMAMm

mgmMmMmM

MaMmMmMm

mGmMmMmM

MmMmMmMm

mLmMmMmM

Nu deed Duncan met wit 7. Pe5 Kd6 8. f7 Ke7 9. Kc2 a5 10. Kd2 Kf8 1. Kd3 a4 12. Ke4 a3 13. Kf5 Ke7 14. Kg6 a2 15. Kg7 a1D 16. f8D+ Ke6 17. De8+ Kf5 18. Dh5+ Ke6. Weer remise, dus 2-0 voor Buckley.

Na deze lessen dacht Duncan dat hij wel wist hoe hij het met zwart remise kon maken, maar dat viel tegen. Weer werd de stelling van diagram 2 bereikt, maar nu voerde Buckley de witte stukken en die liet zien hoe het moest: 7. Pf7-g5 Kc7-d7 8. f6-f7 Kd7-e7 9. Kb1-c2 a6-a5 10. Kc2-d3 a5-a4 11. Kd3-e4 Deze stelling werd drie keer door Duncan verloren:

A 11...axb3 12. Kd3 Kf8 13. Kd2 Ke7 14. Kc1 Kf8 15. Kb2 en wit wint. Stand 3-0 voor Buckley.

B 11...a3 12. Pe6 Kxf7 13. Pd4 a2 14. Pc2 Ke6 15. Kd3 Kd5 16. Pa1 Kc5 17. Kc2 Kd4 18. Kb2 Kd3 19. Kxa2 Kc3 20. Kb1 Kd2 21. Kb2 Kd3 22. Pc2 en wit wint. Stand 4-0

C 11...Kf8 12. Kf5 a3 13. Kf6 a2 14. Pe6 mat. Stand 5-0.

Toen had Duncan er genoeg van, anders had hij ook nog 11...b6 kunnen proberen, waarna wit een driehoekje met de koning moet maken: 12. Ke3 Kf8 13. Kd3 Ke7 14. Ke4 en zwart staat weer voor de fatale driesprong.

Staat wit dus gewonnen in diagram 1? Dat zou je op het eerste gezicht denken. Volgens de middeleeuwse handleiding voor de valsspeler zou er in werkelijkheid dus juist een remise moeten zijn, maar als die er is, wat ik niet geloof, heb ik hem niet kunnen vinden.

Is het een bekende eindspelstudie? Harold van der Heydens Endgame Study Database 2000 gaf geen uitsluitsel, al is daarin wel het een en ander te vinden dat er erg op lijkt, bijvoorbeeld dit:

MmMmMmMm

agmgmgmM

MaMAMAMm

mlmMmMmM

MmMmMmMm

mgmMmMaG

MAMmMmGm

mLmMmMmM

H. Geiger 1920. Wit wint met 1. h4 a5 2. h5 Ka4 3. h6 b5 4. h7 b4 5. h8P b5 6. Pg6 fxg6 7. f7 g5 8. f8P g4 9. Pe6 dxe6 10. d7 e5 11. d8P e4 12. Pb7 e3 13. Pc5 mat.