STADSNOMADEN OP DOORTOCHT

Niet alle asielzoekers zijn treurige vluchtelingen. In Tilburg-Noord zijn de afgelopen jaren honderden Somaliërs neer gestreken, die zelfbewust zijn en hun kritiek op de Nederlandse overheid luidkeels ventileren. Op Engeland na heeft Nederland inmiddels de grootste Somalische gemeenschap ten noorden van de Sahara. Integreren willen ze niet, want Nederland is voor deze nomaden niet meer dan een tussenstation. Portret van een gesloten gemeenschap in een Brabantse buitenwijk.

De Sibeliusflat is niet meer. Althans in naam. Sinds kort staat, in grote handgeschreven letters, de naam Moleneind boven de ingang van de Tilburgse flat. Een degelijke, Hollandse naam, bedacht door een Brabantse minderheid in de verdrukking. Want hoewel de nieuwe naam het verhult, zijn veel van de bewoners van de twaalf verdiepingen tellende flat Somalisch. De Somaliërs hebben voor de flat hun eigen naam: Utanga, de naam van een Somalisch vluchtelingenkamp in Kenia. Maar die komt niet boven de ingang.

's Avonds om een uur of acht, als de Nederlanders van de flat aan de koffie zitten, komt Utanga tot leven. In de avondzon leunen zwarte mannen op de galerij van de vierde verdieping. De deur van de flat achter hen staat open en binnen klinkt dreunende muziek. De mannen praten hard, kauwen op groene takjes, roken shag en drinken cola. Vanaf het parkeer- terrein beneden roept een man iets naar boven. Een paar verdiepingen hoger schreeuwen vrouwen terug. Er wordt veel gelachen. Een auto rijdt het parkeerterrein op en claxonneert langgerekt tot een meisje met dreadlocks in strakke spijkerbroek naar buiten loopt.

Op tienhoog speelt baby Hanad op de bank met het mobieltje van zijn moeder, Lusa Hassan Yussuf (19). Ze heeft knalrood geverfd haar, dat uit haar gezicht wordt gehouden door een turquoise haarband. Ze draagt een zwarte transparante gabasaar, het traditionele Somalische overkleed, maar als ze naar buiten gaat trekt ze westerse kleren aan. Op de deur van de wc hangt Leonardo di Caprio, in de kamer staat The Box aan. Er zijn vijf, zes Somalische vriendinnen uit Tilburg op bezoek en een vriend uit Amsterdam. Ze bekvechten in het Somalisch, met af en toe een 'fucking' erdoorheen of 'hou je bek'. Twee vriendinnen staan te blowen op het balkon. Later duikt uit een van de zijkamers nog een slaperige man op, een Somaliër uit Denemarken die door Nederland toert.

Klagen over samenklitten

Honderden Somaliërs zijn de afgelopen jaren neergestreken in Tilburg, tot de niet geringe verrassing van het gemeentebestuur. Begin dit jaar stonden in de gemeente 2.237 Somalische bewoners geregistreerd. Tilburg heeft nu de grootste Somalische gemeenschap in een Nederlandse stad en laat Den Haag en Rotterdam achter zich. In sommige delen van Tilburg-Noord, zoals de wijk Stokhasselt, steeg het aandeel Somaliërs in korte tijd tot zo'n zeven procent. In Nederland vormen Somaliërs met ruim 29.600 mensen de zesde minderheid, na Surinamers, Turken, Marokkanen, Antillianen en Irakezen. Daarmee heeft Nederland na Engeland de grootste Somalische gemeenschap ten noorden van de Sahara.

Het Tilburgse gemeentebestuur had eerst niets in de gaten. Maar de intocht hield aan, de Somaliërs begonnen op te vallen en de Tilburgers wisten niet wat ze van hen moesten denken. 'Somaliërs zijn erg zwart, erg lang, praten hard, lopen veel heen en weer', zegt GroenLinks-wethouder Roel van Gurp van volkshuisvesting. 'Mensen gingen klagen dat ze altijd samenklitten, dat jan en alleman er over de vloer komt.' Volgens PvdA'er Wim Luijendijk, wethouder minderheden, zijn Somaliërs nogal 'zelfbewust in de contacten'. 'Ik had dat nog nooit meegemaakt', zegt hij. 'Een nieuwe groep die binnen de kortste keren in de kamer van de wethouder zit om subsidie aan te vragen. Hier zijn wij: kunt u iets voor ons doen?'

Al gauw bleek dat de integratie niet zonder problemen verliep. Volgens een vorig jaar verschenen rapport van de gemeente is ongeveer 70 procent van de volwassen Somaliërs in Tilburg langdurig werkloos, fraudeert 20 procent met een uitkering en hebben velen hoge schulden. Een groot aantal echtscheidingen ontwricht de gezinnen. Vrouwen spreken na jaren nog steeds nauwelijks Nederlands. Kinderen kunnen niet meekomen op school, veel jongeren ontsporen. Zo'n 42 procent van de Tilburgse Somalische jongens onder de 18 jaar heeft volgens het rapport in 1999 een strafbaar feit gepleegd.

Maar de Somaliërs, allesbehalve een onmondige minderheid, kaatsten de bal keihard terug. Volgens een Somalische beleidsmedewerker, geciteerd in een bijlage van het rapport, doet Tilburg niets voor hen. Hun Somalische diploma's worden niet op waarde geschat. Hun taalachterstand is te wijten aan slecht taalonderwijs van de gemeente. Hun kinderen zouden makkelijk kunnen studeren aan de universiteit, maar ze worden weggezet in het speciaal onderwijs of naar technische scholen gestuurd. Het arbeidsbureau doet te weinig moeite om hen aan werk te helpen. En dat werkloosheidscijfer van 70 procent kan niet kloppen. Op dat laatste punt haalden de Somaliërs hun gelijk: na 'uitgebreider onderzoek' moest de gemeente het werkloosheidscijfer dit jaar drastisch bijstellen tot 21 procent.

Wapperende sluiers

Bijna buitenaardse wezens lijken de Somaliërs in het oer-Hollandse landschap van Tilburg-Noord, waar essen, populieren en kastanjes ruisen en veldjes met zeer kort gemaaid gras zijn voorzien van bordjes als 'Speelweide' en 'Uitlaatstrook' - geïllustreerd met een oranje poedel. In een onberispelijk plantsoen staat een biddende Maria, omkranst door metalen rozen, geraniums aan haar voeten. Rijtjeshuizen vertonen Hollands welvaren-extra: een vlucht duiven op de gevel, een steigerende eland op de schoorsteen.

En dan opeens twee vrouwen met wapperende sluiers in felle kleuren, achter kinderwagens op weg naar de pinautomaat. Een lange, dunne man in donkergrijs pak op een balkon, uitkijkend over een winkelcentrum. Een gesluierde vrouw op slippers die eenzaam langs een flat loopt. Kaarsrecht, een trage pas, bijna schrijdend.

Het is niet gemakkelijk om erachter te komen wie zij zijn en wat hen naar Tilburg-Noord heeft gebracht. Als ik na een terloopse uitnodiging eens ergens aanbel, worden deuren of ramen op een kier geopend, waarna een gebrekkig Nederlands sprekende vrouw vertelt dat de gezochte persoon vandaag 'in een andere stad' is. Nee, zelf heeft ze hoofdpijn. Soms brengen door de brievenbus turende kinderen de boodschap over. Een zekere Abdi stemt toe in een gesprek en geeft me zijn mobiele nummer. Als ik hem bel op een afgesproken tijd, moet hij net weg. Maar ik kan later terugbellen. Als ik weer bel, zit hij op Schiphol op zijn moeder te wachten, met wie hij vervolgens naar een tante in Alphen aan den Rijn gaat. Hij zal me zelf wel bellen, dan en dan. Hij belt niet. Zo verlopen veel pogingen tot nader contact.

Toch zijn er genoeg die wel willen vertellen, waardoor langzamerhand een beeld ontstaat van de Somalische gemeenschap in Tilburg-Noord. Het zijn mensen die heel graag een eenheid zouden vormen maar die onderling diep verdeeld zijn. Sommigen zijn met tegenzin in Nederland, en denken alleen maar aan Somalië. Anderen, met name jongeren, genieten in Nederland van een ongekende vrijheid. De een wil 'gewoon' een betere toekomst, de ander is ontsnapt aan gebieden waar kinderen met machinegeweren de baas zijn.

Burgeroorlog

Soomaaliya. Mohamed Abdulle spreidt een landkaart uit op de ronde tafel in de woonkamer van zijn rijtjeshuis in Noord. Over zichzelf praat hij liever niet al te veel, maar over zijn land wil hij wel wat vertellen, want het is belangrijk dat de wereld weet wat daar gebeurt. Vier beeldschone jochies onder de vijf rennen over het parket heen en weer tussen de keuken, waar hun moeder is, en de ronde tafel in de kamer. Een stil, lang meisje met een hoofddoek serveert Somalische thee uit een thermoskan . De Somaliëkaart van Abdulle is een vrolijke kaart, vol getekende dieren. Koeien, geiten, kamelen, een nijlpaard, een olifant. Dieren zijn de basis van de economie van Somalië, een zeer heet land waar bijna geen regen valt. Al eeuwen trekken families met hun vee het land door naar waar de regen is. Volgens recente schattingen is nog altijd de helft van de Somaliërs nomade, het hoogste percentage ter wereld.

Linksboven op de kaart staat de Somalische vlag: blauw met een witte, vijfpuntige ster. De punten staan voor de vijf gebieden waar Somaliërs wonen sinds zij, aan het einde van de 19-de eeuw, koloniaal werden verdeeld over Brits Somaliland, Frans Somaliland, Italiaans Somaliland, Ethiopisch Somaliland en een grensdistrict in Brits Kenia. Frans Somaliland is nu Djibouti, en bij de onafhankelijkheid in 1960 werden Brits en Italiaans Somaliland samengevoegd tot het huidige Somalië.

Met Somalië gaat het al heel lang niet goed. Dictator Siad Barre, die na een staatsgreep in 1969 tot 1991 aan de macht bleef, voerde weliswaar de leerplicht in en onderwijs in de Somalische taal, maar hij maakte het land ook rijp voor een burgeroorlog door het te militariseren, politieke vijanden gevangen te zetten en zijn eigen 'clan' stelselmatig te bevoordelen. De clan, een groep mensen met dezelfde voorvaders, is de hoeksteen van de Somalische samenleving die etnisch vrijwel homogeen is en waarvan de overgrote meerderheid moslim is. Clanleden wonen bij elkaar in de buurt, hebben gemeenschappelijke eigendommen en komen elkaar bij problemen te hulp.

In 1991 slaagden de generaals Ali Mahdi en Aideed erin Siad Barre uit de hoofdstad Mogadishu te verjagen. Maar zij raakten onderling slaags en in de negen daaropvolgende jaren had Somalië geen regering en werd het verscheurd door geweld tussen clans. Het voormalig Britse noordelijk deel verklaarde zich als Somaliland onafhankelijk. Duizenden mensen stierven door oorlog en honger. Internationaal ingrijpen onder leiding van de Verenigde Staten mislukte, met als dieptepunt de moord op Amerikaanse militairen in Mogadishu. De beelden van hun lijken die door woedende Somaliërs door de stad werden gesleept, gingen de wereld over.

Een soort Enschede-ramp

Even na acht uur 's avonds druppelen vijf, zes mannen het huis van Mohamed Abdulle binnen. Hij begroet hen hartelijk, zet zijn computer aan en zoekt op internet de bbc op. Zoals elke dag luisteren ze zwijgend naar de korte nieuwsuitzending van de bbc-radio in het Somalisch. Vorig jaar werd in Djibouti voor het eerst weer een nieuwe Somalische regering gevormd. Zij trotseerde de warlords van Mogadishu en nam haar intrek in twee zwaarbewaakte hotels in de hoofdstad. Op haar hebben Somaliërs in ballingschap hun hoop gevestigd. Van dag tot dag volgen zij de ontwikkelingen, hun eigen bizarre politieke soap.

Van de 8 miljoen Somaliërs heeft 15 tot 20 procent het land vanaf midden jaren tachtig verlaten. Mohammed Abdulle vertrok in 1988 toen hij wilde studeren maar geen kans kreeg, omdat hij tot de verkeerde clan behoorde. In het noorden werd al gevochten, maar nog niet in het zuiden, waar zijn familie in het stadje Qooryoley een boerderij had met een grote kudde koeien. Tijdens schoolvakanties hoedden Abdulle en zijn broers de koeien. In 1994, na zes jaar in Nederland, ging hij terug in de hoop het oude leven weer op te vatten, maar de burgeroorlog maakte dat onmogelijk.

'Alles was kapot', zegt hij. 'Er was geen regering, geen politie. De gebouwen allemaal weg, de scholen allemaal weg. Iedereen had een geweer.' Qooryoley lag in oorlogsgebied, zijn familie was gevlucht. Via Kenia keerde hij terug naar Nederland. Om werk te vinden verhuisde hij van Amsterdam naar Tilburg. Daar draait hij ploegendiensten aan een machine bij textielbedrijf Van Maren, waar synthetisch garen wordt gespoeld en getwijnd.

Abdirisak Tahlil (42), een tengere, enigszins gebogen man met een baardje, werkt als 'intermediair' voor een Tilburgse welzijnsorganisatie. In Somalië was hij een hoge militair. Twaalf jaar werkte hij voor de beveiligingsdienst van Siad Barre zelf. Eerst als bewaker van het woonhuis en het kantoor van de dictator. Maar toen Siad Barre zoveel vijanden had gemaakt dat het niet wenselijk meer was te veel met hem te worden geassocieerd, werd hij reisagent voor de regering. 'Dat was iets veiliger', zegt hij. 'Geen uniform, mijn auto had niet het kenteken van het militair paleis.' Toen Siad Barre was verjaagd, moest hij vluchten. De hel brak los. 'Geen politie. Bandieten. Vrouwen werden mishandeld. Veel mensen overleden aan ziekte, honger.' Zelf heeft hij een rein geweten, verzekert hij. 'Ik heb niemand iets gedaan. Ik was daar geboren, had daar gestudeerd. Ik voel me niet schuldig alleen omdat ik met Siad Barre heb gewerkt.'

Yasmine Faisal (18), die met haar moeder en broertje in Tilburg-Noord woont en deze zomer stage liep in de thuiszorg, maakte als kleuter de bombardementen in Hargeysa mee, een stad in Somaliland die in 1988 door troepen van Siad Barre zwaar werd bestookt. Ze draagt een elegante zwarte hoofddoek met lange punten, ratelt Brabants en als ze iets niet verstaat, zegt ze 'wablief?' Ze herinnert zich dat ze 's nachts in een schuilkelder niet kon slapen van de bommen en dat de stad eruit ging zien als 'een soort Enschede-ramp'. 'Van het huis van de buren was niets over', vertelt ze. 'Dat van ons was half kapotgeschoten.' Dankzij spaargeld van haar moeder arriveerde ze in 1993 in Nederland. Haar vader, broer en zus bleven achter. Gezinshereniging mislukte. 'Mocht niet van Justitie.' Drie jaar geleden verhuisden ze uit een Limburgs dorpje naar Tilburg, omdat haar moeder vereenzaamde zonder andere Somaliërs in de buurt.

De 19-jarige Lusa Hassan, van tienhoog in de Sibeliusflat, kwam in Nederland aan zonder haar moeder. Nadat die in 1991 het geweld in Mogadishu was ontvlucht, spaarde ze in Kenia geld bij elkaar voor een enkele reis Nederland voor Lusa, haar broer, zus en een tante. 'Mijn moeder zei: het is veel beter als jullie weggaan naar een ander land. Jullie zijn nog jong', legt Lusa uit. Zelf ging haar moeder terug naar Somalië. 'Mijn oma's en opa wonen daar nog. Ze zijn heel oud, die kan ze niet achterlaten.' Lusa kwam terecht in Yerseke, bij een oudere broer die de rest was voorgegaan. Een paar jaar later verhuisde ze naar Tilburg. Toen ze daar goed en wel op de middelbare school zat, raakte ze zwanger van een Somaliër uit Engeland die in Nederland op vakantie was. Ze kreeg een zoontje en ging van school.

Land van sociale zekerheid

De meeste Somaliërs in Nederland behoorden in eigen land tot de elite. Ze komen uit de steden en zijn relatief hoog opgeleid. Ze hebben hun reis zelf betaald, terwijl de armere nomaden achterbleven in Somalië en de Afrikaanse buurlanden. Waarom zoveel Somaliërs juist voor Nederland kozen, is onduidelijk.

Meestal zeggen Somaliërs dat ze eigenlijk naar Engeland of Canada hadden gewild, maar in Nederland al familie hadden. Of dat ze via via gehoord hadden dat Nederland zo'n leuk land was, met sociale zekerheid. De 29.635 geregistreerde Somaliërs hebben volgens het cbs een (voorlopige) verblijfsvergunning. Daarnaast wordt van een onbekend aantal Somaliërs het asielverzoek uiteindelijk afgewezen, omdat Justitie sommige gebieden in Somalië veilig genoeg acht voor terugkeer. Of er daadwerkelijk Somaliërs terugkeren en zo ja, om hoeveel mensen het gaat, is niet bekend.

De Somaliërs worden net als andere asielzoekers verspreid over Nederland gehuisvest. Maar anders dan andere 'nieuwe etnische groepen' (Iraniërs, Afghanen, Vietnamezen, Ethiopiërs) verhuizen ze snel om bij elkaar in de buurt te kunnen wonen. Geen enkele bevolkingsgroep verhuist zo vaak als die van de Somaliërs.

Hoge galerijflats als de Sibeliusflat lokten de eerste Somaliërs naar Tilburg-Noord. Al ruim voor hun komst voltrok zich in deze flats het Bijlmerscenario: Nederlanders verhuisden naar een koophuis in een nieuwbouwwijk, buitenlanders namen hun plaats in. Midden jaren '90 werd de Huisvestingswet geliberaliseerd waardoor vestigingsbeperkingen als economische gebondenheid kwamen te vervallen. Somaliërs in het hele land, veelal met grote gezinnen, vertelden elkaar over de beschikbaarheid van vijf- en zeskamerflats in Tilburg, met een huur van zo'n achthonderd gulden per maand, exclusief subsidie. Voorzover ze (nog) geen verblijfsvergunning hadden, werden ze geholpen door de zogeheten zza-regeling, het Zelf Zorg Arrangement, een noodmaatregel om de druk op de volle asielzoekerscentra te verlichten. Asielzoekers die onderdak vinden bij een particulier, ontvangen volgens deze regeling een extra vergoeding van 100 gulden per maand.

Uiteraard vonden ze onderdak bij andere Somaliërs. Zo beloonde de Nederlandse staat de hulp die Somalische clanleden toch al aan elkaar verschaften.

Verloederde flat

De Sibeliusflat ligt in het uiterste noorden van Noord. Breed strekt hij zich uit boven een elektriciteitscentrale vanwaar elektriciteitsmasten met een flauwe bocht in de verte verdwijnen. Twaalf verdiepingen, twaalf keer twaalf woningen. Bij elke voordeur hangt een plastic bloembakje, waarvoor de eigenaar van de flat, woningcorporatie Wonen Midden Brabant, jaarlijks hanggeraniums uitdeelt. De meeste staan er kwijnend bij.

Op vierhoog woont, al 26 jaar, Nellie Pigmans. In de kamer hangt een zigeunerjongetje met een grijns en een sigaret. Op de kast staan Keulse potten en Delftsblauwe vazen. 'Toen wij hier kwamen, was het een luxe flat en iedereen sprak dezelfde taal.' Pigmans draagt een zilveren naaimachientje om haar hals. Vroeger was ze coupeuse. Haar man, zwijgzaam rokend op de bank, begon met werken in een textielfabriek. Nadat de textiel grotendeels was opgedoekt, werkte hij tot zijn pensioen in de metaal. De laatste tien jaar zagen ze hun flat veranderen. Alle oude buren trokken weg. Ook zij hebben dat weleens overwogen. 'Toen er meer kwamen, had het een hele negatieve klank: Somaliërs', vertelt Pigmans. 'Je voelt je onveilig. Al die donkere mannen in de lift.'

Bovendien verloederde de flat. Op de galerijen hoopten de vuilniszakken zich op. De deur van de hoofdingang werd steeds ingetrapt, tot hij niet meer dicht kon. Groepen van twintig, dertig Somaliërs hingen rond in de hal. En op een gegeven moment was er iets aan de hand op nummer 455, zegt Mary van den Brekel (56), schoonmaakster, rood t-shirt, sigaret in de hand. Nummer 455 is twee deuren bij haar vandaan. 'We hadden al heel gauw in de gaten dat daar iets niet klopte. Vijftig, zestig man kwam daar binnen, de hele dag. Eerst weet je niet wat het is. Tot je gaat praten met die mensen. Zeggen ze: het is onze groente, onze vitaminen. Later bleek het toch een soort drug te zijn.'

Qat, vers aangevoerd uit Kenia. Jonge twijgjes die in aanzienlijke porties moeten worden gekauwd en die dan een bitter sap afscheiden dat een effect heeft dat vergelijkbaar is met amfetamine. In Frankrijk, Zwitserland, Italië, België en Scandinavië is qat als softdrug verboden, in Nederland, Engeland en de vs mag het wel worden gebruikt. En dus is overal waar veel Somaliërs wonen ergens in de buurt een qat-huis. Zoals op nummer 455 in de Sibeliusflat, het huis van Mohamoud Jemalle.

Gewoon gezellig kauwen

Jemalle (37) is een vrij kleine, gezette man die duidelijk een leidersrol heeft in de groep jonge mannen die hem voortdurend omringt. Hij zegt al sinds 1992 in Nederland te zijn, maar schakelt toch een tolk in om met mij te kunnen praten. Die voert vervolgens vooral zelf het woord. Jemalle belt mobiel in het Somalisch en rolt tussendoor van een halve krantenpagina een patatzak voor de takjes. Hij kauwt het ene na het andere takje weg. De tolk kauwt ook, en steekt er een sigaret bij op. Volgens hen is qat-gebruik een volstrekt onschuldige, sociale gewoonte. 'Wij hebben hier geen cafés. Wij gaan gewoon gezellig kauwen. Qat is de 'groene motor'. Je zit daar gewoon te praten. Je vertelt wat je problemen zijn. En ze worden daar opgelost, meteen.' Jemalle handelt niet in qat, bezweren zij. Hij deelt het gratis uit. 'Er zijn ook mensen die handel doen', zegt Jemalle. 'Dat wordt hier niet gedaan. Het is niet om van te profiteren.'

Intussen heeft Mary van den Brekel wel last van het qat-huis op de galerij. 'Ze bellen bij mij allemaal aan, hè. Wel zeven, acht keer op een avond. Ze denken dat ik hier die rotzooi verkoop.' Maar Mohamoud Jemalle vindt ze een aardige man. Ze heeft hem zelfs over het probleem durven aanspreken. 'Ik zeg, ik heb niets tegen jullie, ik zeg, één ding, ik vind het irritant dat ze alsmaar bij ons bellen, ik zeg, hoe kan dat? Hij zegt meteen van Mary, zegt hij, ik ga er vanavond over bellen.' Later heeft hij nog geïnformeerd of het beter was geworden. Nee, Jemalle vindt ze best een goede vent. 'Rob praat met hem. Hij werkt wel een beetje mee, zegt Rob. Rob zegt, we kunnen hem wel uit de flat zetten, maar dan krijg je hetzelfde op een andere galerij.'

Rob, dat is Rob van Hees, de huismeester van de Sibeliusflat en het geheime wapen van woningcorporatie Wonen Midden Brabant. Boomstronkpostuur, ring aan de rechterpink, klein matje in de nek, en twee jaar geleden aangesteld om orde op zaken te stellen in de flat. 'Er waren eigenlijk geen regels', zegt Van Hees, voormalig nachtportier-in-kogelvrij-vest bij discotheken en clubs. 'Integratie speelde niet. Er waren allerlei groepen, er was een heel aparte sfeer. Geen oorlog, dat wil ik niet zeggen, maar ook geen vrijheid blijheid.'

Hij begon met de 'rotte appels'. Vijf, zes onverbeterlijke lastposten, autoch- dan wel allochtoon, werden hun flat uitgezet. Hij ging nauw samenwerken met de politie, liet zich samen met de wijkagent zien in de flat. Er kwam een nieuwe deur, die naar buiten openging en die niet meer kon worden ingetrapt. Hij bracht hier en daar extra verlichting aan. Verbood vuilniszakken op de galerij. Verbood samenscholingen in de hal. Hij ontmoette behoorlijk veel weerstand. Eén keer werd hij met een mes bedreigd. Maar hij heeft aan taekwondo, kickboksen, kung fu gedaan. Dus dat mes heeft hij 'afhandig gemaakt'. 'In het begin moet je de teugels strak aanhalen. Je mag niet je gezicht verliezen.'

Daarna kwam het fijnere werk of, zoals Van Hees graag zegt, 'het sociale gebeuren'. Mensen met huurachterstand bezoekt hij nu in een vroeg stadium om ze 'te helpen'. In samenwerking met bewoners als mevrouw Pigmans herstelde hij de maandelijkse 'koffiemiddag in de hal' in ere. Geleidelijk kwamen daar ook steeds meer allochtone bewoners op af. Hij laat foto's zien. Trots vertelt hij dat de afgelopen twee jaar zelfs de kerstboom is blijven staan, die de jaren daarvoor steevast naar buiten werd gesleept en verbrand. Nu wordt de kerstboom versierd door de kinderen in de flat, met zelfgemaakte versieringen. Daar komt niemand meer aan.

Van Hees kwam ook op het idee de Sibeliusflat een andere naam te geven. 'Sibeliusflat' roept volgens hem bij Tilburgers verkeerde associaties op, van enge zwarte mensen, viezigheid en kakkerlakken. Voor de flat passeerden op 'een ludieke middag' voor bewoners verschillende namen de revue. 'Noordoosteind', zoals een nieuwe weg in de buurt zou gaan heten. En ook zoiets als 'Utanga', een Somalisch woord dat 'iets met vluchtelingen' betekent. Het werd Moleneind. 'De oudere bewoners wisten te vertellen dat hier vroeger veel molens hebben gestaan. Achter de flat is een manege die ook zo heet. Die naam zat er vrij snel bij iedereen een beetje in.'

Een stukje ruilhandel

Van de 'nieuwe etnische groepen' gaan de Somaliërs het minst met Nederlanders om, zo blijkt uit onderzoek. Somaliërs vestigen zich bij elkaar in de buurt en richten hun sociale leven op elkaar in. In een week tijd zie ik op straat in Tilburg-Noord niet één keer een volwassen Somaliër praten met een niet-Somaliër. In een buurthuis vergaderen wekelijks Somalische jongeren over de instelling van een eigen, Somalische voetbalcompetitie. Ze worden net niet overstemd door de Tilburgse harmonie, die op hetzelfde tijdstip repeteert in het zaaltje ernaast.

Onderling hanteren de Somaliërs een razendsnelle mondelinge communicatie. Onderwijs in de geschreven taal bestaat in Somalië pas sinds 1972 en er is nauwelijks een schriftelijke traditie. Ouders vertellen hun kinderen de oude verhalen over wilde dieren en het nomadenbestaan. Nieuwtjes en roddels gaan telefonisch razendsnel het land door. Drie mannen vertellen mij onafhankelijk van elkaar precies hetzelfde verhaal over een Somalische vrouw met vijf kinderen wier uitkering is stopgezet, omdat ze moet gaan werken. De toon is verontwaardigd. Vrouwen met kinderen onder de vijf jaar hóéven niet te werken, dat staat in de Nederlandse wet. Het verhaal moet aantonen dat de Nederlandse overheid zich niet aan haar eigen regels houdt. Ik probeer de vrouw te spreken te krijgen, maar dat lukt niet.

De verwachtingen die Somaliërs van Nederlanders hebben, worden bepaald door hun cultuur, ook als ze al jaren in Nederland zijn. Veel Somalische mannen laten vroeg in een gesprek vallen dat hun vader in Somalië 'stamhouder' was. Dat zegt een Nederlander niets en de implicatie ervan wordt meestal niet uitgelegd, maar je merkt dat zij op grond daarvan respect, zoniet gehoorzaamheid verwachten. De Nederlandse beheerder van het buurthuis heeft een uitgesproken hekel aan Somaliërs. 'Sommigen, die 'daar' belangrijk zijn, behandelen me zó!' Hij knipt gebiedend met zijn vingers. Mevrouw Pigmans uit de Sibeliusflat heeft een Somalische buurvrouw gehad, die zich soms ook zo gedroeg. 'Voordat ze wist of ik een naald kon vasthouden, komt ze hier binnen, legt een rol stof op tafel - jij voor mij knippen.'

Bij de pacificatie van de Sibeliusflat gebruikte huismeester Rob van Hees instinctief een andere karakteristiek van het Somalische volk: het grote wantrouwen tegenover formele autoriteit. 'Somalische leiders zijn in naam de eersten onder hun gelijken, met uitsluitend morele invloed door consensus en overreding', schrijven een Somalische en een Nederlandse onderzoeker in een rapport van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Slechte ervaringen met koloniale onderdrukkers en de eigen dictator hebben het wantrouwen tegen formeel gezag versterkt. De sociale orde is niet gebaseerd op wetten, maar op onderlinge afspraken en regels binnen clans en subclans. Bij problemen komen de wijze mannen bijeen om net zo lang te praten tot er een oplossing is.

Rob van Hees legde zijn nieuwe huisregels niet van bovenaf op, maar gooide het op een akkoordje met qat-distributeur Mohamoud Jemalle. 'Dat was, naar ik had begrepen, de koning van het gebeuren', zegt hij. Jemalle kreeg te horen dat hij van Van Hees mocht doorgaan met zijn activiteiten, maar dat de huurovereenkomst weleens zou kunnen worden opgezegd als die zoveel overlast bleven veroorzaken. 'Die qat was een stukje ruilhandel.' Het resultaat was dat Jemalle zich, volgens Van Hees, ging opwerpen als 'een ver- lengstuk van de politie'. Hij gaf 'zijn' mensen de opdracht om de lift schoon te maken als die vol lag met uitgespuugde resten van takjes, netjes aan te bellen in plaats van de deur te forceren en niet de doorgang op de parkeerplaats te blokkeren.

Clanconflicten

Ook de clanconflicten uit Somalië komen in Nederland terug, zoals de gemeente Tilburg al snel ondervond. In 1998 gaf de gemeente een Somalische organisatie, de stichting Rajo, een subsidie van 5.000 gulden in de verwachting daarmee iets voor de hele Somalische gemeenschap te doen. 'Maar toen waren er opeens nog vier, vijf, zes organisaties die aanklopten', zegt wethouder Luijendijk van minderheden. Stichting Rajo (Hoop), stichting Soon (Vast), stichting Kaah (Licht), stichting Kulmiye (Eenheid) en de Somalische Vereniging in Brabant (SoviB). Hoewel elke stichting claimde iets voor de hele Somalische gemeenschap te doen, werd allengs duidelijk dat ze weinig meer waren dan een nieuw, Nederlands uithangbord voor elkaar beconcurrerende clans. Na veel heen-en-weergepraat besloot Tilburg zeven ton uit te trekken voor de Somaliërs, op voorwaarde dat ze zouden samenwerken in één organisatie. Eind mei had die er moeten zijn. Keer op keer vroegen de Somaliërs uitstel.

Het laatste overleg eindigde in gekrakeel.

De Somaliërs kwamen er niet uit.

Tegenover buitenstaanders zijn de Somaliërs vaag, bijna beschaamd over hun ruzies. Sommigen willen niet zeggen tot welke clan ze behoren, of doen alsof er helemaal geen clans bestaan. 'Ik praat daar liever niet over', zegt Hassan Jama, een 38-jarige leraar. 'Ik heb daar echt een hekel aan. Dat is de ziekte die alle mensen ons land uit jaagt.'

Hassan Jama, modieuze sportschoenen en een vierkant brilletje aan een koord om zijn nek, is een van de Somaliërs die zich wel echt inzetten voor hun gemeenschap. Hij is zes jaar in Nederland en werkt sinds begin dit jaar op een scholengemeenschap in Tilburg-Noord, op een school voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. Hij geeft Engels aan Nederlandse leerlingen en Nederlands aan kinderen van vluchtelingen en asielzoekers. Daarnaast gaf hij het afgelopen schooljaar in zijn vrije tijd onder meer extra lessen taal en rekenen aan Somalische basisscholieren. Dit eigen initiatief werd uiteindelijk met bijna 15.000 gulden door de gemeente gesteund. Op zaterdag- ochtend leidt hij in een buurthuis een koranschool voor enkele tientallen kinderen. Het is, zegt een Somaliër, de enige 'clan-overstijgende' activiteit in de wijk. Het buurthuis werd hiervoor op zaterdag exclusief voor Somaliërs geopend, wat jaloezie wekte bij andere bevolkingsgroepen.

Jama ligt voortdurend overhoop met het Tilburgse gemeentebestuur. Hij denkt dat de gemeente het onderwijs aan buitenlandse kinderen opzettelijk laat versloffen. 'Te weinig begeleiding bij huiswerk. Te weinig lesuren. Kinderen worden niet goed geholpen.' Vervolgens krijgen de kinderen een cito-toets met als uitslag dat ze alleen geschikt zijn voor de technische school. Dan geloven de kinderen niet meer in zichzelf en presteren niet meer, denkt hij. Niet alleen Somaliërs lopen stuk op deze Nederlandse muur, weet hij, Turken en Marokkanen hebben precies hetzelfde meegemaakt. 'Wat is de consequentie? Veel Marokkanen en Turken van de tweede generatie belan- den op straat. Het zijn straathangers. Dat gebeurt ons ook. Als je hier 's avonds rondloopt, zie je veel Somalische jongens op straat. Waarom? Omdat zij geen goed onderwijs krijgen. Daar moet de gemeente iets aan doen.'

In plaats daarvan, fulmineert Jama, heeft Tilburg voor de Somaliërs een 'wooncursus' ontworpen. 'Een wooncursus! Leren wij naar de keuken gaan! Naar de wc gaan!' Somaliërs zijn volgens Jama ontwikkelde mensen, geletterd, goed geschoold. Zelf heeft hij in Somalië acht jaar op de universiteit gezeten.'Dat wordt hier als vier jaar gewaardeerd!', zegt hij verontwaardigd. Is dat een manier om gasten te behandelen? 'Degenen die in Somalië tot een hoge sociale klasse behoorden, moeten hier beneden beginnen. In Nederland zijn allerlei deuren voor buitenlanders gesloten.'

Terug naar Somalië

Terwijl de stad nog bezig is de komst van de Somaliërs te verwerken, maakt Hassan Jama zich zorgen over hun vertrek. Het afgelopen jaar zijn volgens hem wel 85 Somalische gezinnen uit Tilburg weggegaan. Naar Engeland, waar het onderwijs hun kinderen betere kansen zou bieden. Naar Duitsland, Canada, Egypte. Jama: '75 volwassenen! 155 kinderen! Die zijn naar andere landen verhuisd. Met de Nederlandse nationaliteit. Dat geeft Nederland een slechte reputatie! En Tilburg is verantwoordelijk!' De gemeente bevestigt dat vorig jaar ongeveer 400 Somaliërs uit Tilburg zijn vertrokken, maar daar zijn er ook weer ruim 400 voor teruggekomen.

Een paar weken later blijkt Hassan Jama gestopt te zijn met zijn werk. Ook hij wil met zijn vrouw en acht kinderen naar een ander land. Het wordt waarschijnlijk Frankrijk, zegt hij, maar ze gaan eerst naar Londen.

Het is een moeizaam huwelijk, tussen de Somaliërs en Tilburg. Toen de gemeente vorig jaar haar rapport over de Somaliërs had gepubliceerd, kreeg wethouder Luijendijk te horen: 'Met ú willen we niet praten. U zet ons in een hoek', waarop de Somalische afvaardiging zich tot zijn medewerker wendde. Luijendijk, al wethouder minderheden sinds 1994, beziet de Somaliërs met een mengeling van waardering en irritatie. 'Hun voormannen spreken na een aantal jaren hier opvallend goed Nederlands', zegt hij in zijn werkkamer op het stadhuis. 'Ze manifesteren zich goed en houden tegelijk vast aan de eigen cultuur.' De onderlinge verdeeldheid is lastig, maar heeft ook voordelen. 'Het is duidelijk. Als er verdeeldheid is onder bijvoorbeeld Marokkanen, houdt men dat binnenshuis. Dan is het veel moeilijker alle verschillen te leren kennen.' Maar hij vindt ook dat de Somaliërs hun eisen soms te hoog stellen. 'Dan zeggen ze: wij hebben u in november verteld dat wij problemen hebben met onze kinderen. Nu is het februari en er is nog niets gebeurd. Dan moet je uitleggen dat dat zo snel niet gaat.'

De komende jaren worden in Tilburg-Noord zes galerijflats gesloopt; een is al gevallen. Op de plaats van de flats zullen 'parkwo- ningen' verrijzen. Doel: 'een veel gemêleerdere bevolkingsamenstelling' en 'het stigma van de wijk te veranderen'. 'Mensen trekken weg', licht Jan van Kessel toe, directeur Noord van woningcorporatie Wonen Midden Brabant. 'Wij moeten ze een koopalternatief bieden.' Voor de blijvers ziet Van Kessel wel wat in een zekere mate van segregatie. Als een oude vrouw, die al dertig jaar in de Sibeliusflat woont, zich daar door de vele Somaliërs niet meer thuis voelt, waarom zou je haar dan niet een seniorenflat aanbieden en met de vrijgekomen woning adverteren als een 'multiculturele' of 'Somalische' flat? Het qat-gebruik in de Sibeliusflat is een gegeven. Waarom zou je in zo'n flat dan niet een ontmoetingsruimte maken voor Somalische mannen? 'Dat doe je in een seniorenflat ook.' Het idee is nog jong, de eerste officiële Somalische flat zal nog wel even op zich laten wachten.

De Somaliërs in Tilburg-Noord: ze zijn er en ze zijn er niet. Als ik in Hassan Jama's klasje Engels - twaalf mannen van 13 tot ongeveer 65 jaar - vraag wie van plan is in Nederland te blijven, gaat er een honend gelach op. 'Wij zijn hier alleen maar wegens de burgeroorlog', zegt Hassan (27), elektrotechnicus, zes jaar in Nederland. 'Niet omdat het in ons land economisch niet goed was. Als het weer veilig is, gaan we terug.' 'Je moet ooit terug naar Somalië', beaamt Mohamed Farah (17), zeven jaar in Nederland, leerling roc-techniek. 'Het is je geboorteland. Ik wil teruggaan wanneer ik iets geleerd heb, zodat ik mensen kan helpen.'

Het Somalisch heeft geen woord voor ballingschap. Thuis is de plek van je geboorte en het is normaal om daar niet te zijn. Al eeuwen nemen de clans hun wetten en waarden mee van de ene naar de andere plaats. Ook Tilburg-Noord zullen ze verlaten, als de waterput opdroogt. En er zullen er ook zijn die blijven. Want ze kunnen altijd nog weg. M

Joke Mat is redacteur van NRC Handelsblad.

Joyce van Belkom is freelance fotograaf.

[streamliners] Tegenover buitenstaanders zijn de Somaliërs vaag, bijna beschaamd over hun ruzies. Sommigen willen niet zeggen tot welke clan ze behoren, of ze doen alsof er helemaal geen clans bestaan.

Het Somalisch heeft geen woord voor ballingschap. Thuis is de plek van je geboorte en het is normaal om daar niet te zijn.