Sport moet ambities bijstellen

Financiële problemen bedreigen de Nederlandse topsport. Bezinning lijkt op zijn plaats, zeker nu de economie haperingen vertoont. ,,Sporten die zichzelf niet weten te verkopen en/of te bedruipen, hebben domweg geen bestaansrecht. Dat is hard maar waar, maar zo werkt het marktmechanisme.''

Nog geen jaar geleden reikten, althans zo leek het, de bomen tot in de hemel. Een recordaantal van liefst vijfentwintig medailles, waaronder negen gouden, won de Nederlandse ploeg bij de Olympische Spelen in Sydney. Die score was goed voor de achtste plaats in het medailleklassement, in het kielzog van toonaangevende sportnaties als Australië, China, Rusland en de Verenigde Staten.

Die verrassende klassering leidde tot euforie en, in het verlengde daarvan, tot overmoed. Niet alleen bij de bonden, de clubs en de sporters, maar ook bij de beleidsmakers op Papendal. Zo riep de voorzitter van sportkoepel NOC*NSF, Hans Blankert, de overheid in zijn najaarsrede op om de structurele bijdrage voor de top- en breedtesport in 2002 op te schroeven naar zo'n 165 miljoen gulden. ,,We gaan medailles cashen'', sprak de oud-voorman van werkgeversorganisatie VNO/NCW. De realiteit is dat de overheid volgend jaar 110 miljoen gulden voor de sport heeft gereserveerd.

Amper twaalf maanden later zijn veel betrokkenen ontwaakt uit hun olympische roes. Uit een onderzoek van het Algemeen Dagblad bleek dit voorjaar dat maar liefst 21 van de 31 olympische sportbonden in financiële problemen verkeren. Geld om een doortimmerd topsportplan op te stellen en uit te voeren blijkt, vooral door het ontbreken van een hoofdsponsor, niet voorhanden.

Een teken aan de wand is verder de index voor de topsport, de door Joop Alberda in het leven geroepen en gekoesterde meetlat voor internationaal richtgevende prestaties. Die `barometer van Papendal' steeg in de maanden na Sydney naar een recordhoogte van 1.487 punten. Inmiddels is de experimentele vondst van de technisch directeur van NOC*NSF weer hard op de weg terug: 1.180 punten, een score waarmee de Nederlandse topsport terug is op het niveau van vijf jaar geleden.

Realiteitszin lijkt geboden. Gelet op de tanende belangstelling op de sponsormarkt dient de Nederlandse topsport zijn ambities bij te stellen. Naar beneden welteverstaan. Tien jaar van economische vooruitgang hebben de beleidsmakers ten onrechte opgezadeld met het idee, dat de bomen tot in de hemel reiken. Economische neergang betekent dat ook de sport een pas op de plaats zal moeten maken.

Professionalisering heet het medicijn te zijn, waarmee de sluimerende crisis bedwongen dient te worden. Of beter nog: het middel waardoor Nederland zich over drie jaar, bij de Olympische Spelen in Athene, opnieuw met de grote sportnaties kan meten. Een oogst van veertig medailles (!) behoort volgens Alberda tot de mogelijkheden. Maar zonder (voldoende) financiële middelen mag de voormalige volleybalcoach al blij zijn met een evenaring van het `Sydney'-totaal.

Synergie is nog zo'n woord dat tegenwoordig opvallend vaak valt te beluisteren. NOC*NSF juicht krachtenbundeling toe. Technisch directeur Joop Alberda gaat een stap verder. Voor de minder bedeelde takken van sport is een samengaan zelfs ,,bittere noodzaak om de plaats op de markt niet helemaal te verliezen.''

Een eerste aanzet is al gegeven door sportmarketeers Delissen, Tilmans en Smulders. Uitgangspunt van de door hen opgerichte Sportstrategie BV is een krachtenbundeling van kennis en kapitaal, om zo armlastige bonden hogerop te helpen. Enige scepsis is op zijn plaats, want hoe fraai het plan ook oogt, na ruim een half jaar wachten de initiatiefnemers nog altijd op de eerste concrete toezegging van een potentiële geldschieter.

De recessie dwingt de sport tot bezinning en zelfreflectie. Bonden mogen graag klagen over een gebrek aan media-aandacht. Vooral de televisie moet het daarbij ontgelden. Maar over de vraag waarom hun sport zo weinig tv-minuten genereert, weigeren de bonden na te denken, stelde sportmarketingdeskundige Frank van den Wall Bake deze week terecht vast.

Om geldschieters over de streep te trekken zijn, net als in het bedrijfsleven, creativiteit en een lange-termijnvisie vereist. Veel bedrijven nemen een afwachtende houding aan, bij gebrek aan doordachte voorstellen én bij gebrek een wederdienst van de kant van de vragende partij. Want ook dat lijkt een euvel van de Nederlandse sport: het is te veel en te vaak eenrichtingsverkeer. Om begrijpelijke redenen stellen sponsors hogere eisen dan voorheen. Het gaat hen daarbij allang niet meer louter en alleen om naamsbekendheid. Een logo op het shirt of een reclamebord langs de kant van het veld zijn bijzaak.

Wie de Nederlandse topsport onder de loep neemt, ontkomt niet aan de conclusie dat voetbal boven de wet staat, ondanks het allerminst hoge niveau. Maar ook daar woekert de betonrot, getuige de kunstmatige wijze (subsidies) waarop clubs als FC Den Bosch en Cambuur in leven worden gehouden.

Op grote afstand van het voetbal volgen hockey, paardensport, schaatsen, tennis en wielrennen, met in hun spoor het door de olympische successen (vijf keer goud) gereanimeerde zwemmen sporten die zichzelf, met steun van NOC*NSF, weten te bedruipen. Achter deze sporten gaapt een diepe kloof en beginnen de problemen. Van de volleybalbond tot de Stichting Moderne Vijfkamp een voor een worstelen ze met een bijna chronisch tekort aan geld.

In de kelder van de Nederlandse topsport is het aardedonker. IJshockey, in menig ander land een populaire en televisie-genieke sport, geldt al jaren als het zwarte schaap van de familie, met een trieste en onovertroffen lijst aan faillissementen en `doorstarts'. Dit seizoen krabbelen slechts vijf clubs mee in de hoogste afdeling van nationale competitie. Nog alarmerender is het niveau van de nationale ploeg. Een veredeld jeugdteam werd vorige maand met 23-1 van het ijs geveegd door Denemarken, een land waarvan de ijshockeyers nog niet zo lang geleden wonnen.

Helder was het oordeel dat Van den Wall Bake deze week velde toen de noodlijdende disciplines ter sprake kwamen. ,,Sporten die zichzelf niet weten te verkopen en/of te bedruipen, hebben domweg geen bestaansrecht. Dat is hard maar waar, maar zo werkt het marktmechanisme.''

Dit is de vijfde en laatste aflevering van een serie over de financiële problemen in de Nederlandse topsport. Eerdere afleveringen verschenen in de krant van 2, 3, 4 en 5 oktober, en zijn na te lezen op www.nrc.nl.