Rijnvis feit

Echte riviervissen als winde, barbeel en riviergrondel keren volop terug in het Nederlandse deel van de Rijn. Nieuwe nevengeulen maken het herstel mogelijk.

`Rieviervis herstelt zich razendsnel als de nevengeulen langs de Rijn opnieuw aangelegd worden', zegt visserijbioloog Rob Grift. ``Terwijl de graafmachines nog bezig waren, vonden wij soms al vis die het nieuwe water koloniseerde. Van de 47 vissoorten die in de Rijn voorkomen zijn we in de maximaal drie jaar oude nevengeulen wel al dertig soorten tegengekomen. En van 23 soorten hebben we op die plekken ook jonge vis gevonden.

Het is heel goed nieuws, zeldzame riviervis gebruikt de uiterwaarden weer als paai- en opgroeigebied. Dit betekent volgens Grift dat we het beruchte waterkwaliteitsprobleem van de Rijn kwijt zijn. ``Het is nu een kwestie van voldoende geschikte watergebieden langs de rivier inrichten, en de vis benut ze meteen.''

Rob Grift promoveerde gisteren in Wageningen op een onderzoek naar het herstel van riviervis in de uiterwaarden van de Waal, de grootste afwaterende tak van de Rijn. In de periode van 1997 tot en met 1999 onderzocht hij 25 wateren langs de rivier tussen Lobith en Gorinchem. Van kleiputten en oude, afgesloten rivierarmen (`strangen') in de uiterwaarden, die alleen bij hoogwater in verbinding staan met de rivier, tot aan nieuw ingerichte nevengeulen, die op meer plaatsen verbonden zijn met de hoofdstroom van de rivier en daardoor stromend water bevatten.

In het kader van het plan `Ruimte voor de rivier', waarin de Nederlandse overheid de afvoercapaciteit van de rivier wil vergroten om zo overstromingen te voorkomen, zijn nu op drie plaatsen nevengeulen aangelegd. Deze variëren van een kilometer lang en tien tot twintig meter breed tot aan twee kilometer lengte en honderd meter breedte.

Grift en zijn assistenten bemonsterden de nevengeulen veertien keer per jaar, tussen maart en december. Zo stelden ze vast welke soorten en welke leeftijdsgroepen daarvan in de zijarmen zwommen. Tot hun vreugde troffen de onderzoekers er grote aantallen jonge vis van bedreigde, stroomminnende soorten. Grift: ``Van barbeel vonden we in het voorjaar larven van soms maar 12 millimeter. Toch denk ik niet dat deze vis zich hier voortplant, want barbeel en ook de kopvoorn en de serpeling hebben grindbanken nodig om hun eitjes af te zetten. En die ontbreken in het Nederlandse deel van de Rijn. Echter, nog geen 200 kilometer stroomopwaarts in Duitsland bestaat zestig procent van de jonge vispopulatie uit barbeel. In twee, drie dagen drijven de larven daarvan af naar Nederland. Ze groeien op in de voedselrijke nevengeulen die ze voor hun eerste levensjaar weer verlaten.

``Van winde vonden we ook veel larfjes, maar heel weinig volwassen vissen. Ik vermoed dat deze soort wel paait in de nevengeulen, net als de riviergrondel. Uit zenderonderzoek is bekend dat vrouwtjes grote afstanden stroomopwaarts zwemmen om hun eitjes af te zetten en zich dan meteen weer uit de voeten maken.''

Daarnaast maakte Grift ook een nauwkeurige schatting van de dynamiek van de visstand in de kleiputten en plassen langs de rivier. Hij deed dat door de wateren nagenoeg leeg te vissen en alle gevangen dieren te merken. Met een injectienaald spoot hij een beetje blauwe inkt tussen de vinstralen, de verdikkingen van de vinnen. ``Het leuke is dat die markering permanent is'', vertelt de visserijbioloog. ``Zo hebben we zelfs karkassen teruggevonden waarop het merk nog steeds zichtbaar was. Met het merken kregen we een goed beeld van hoeveel vis er in de kleiputten zit en hoeveel er met hoogwater in- en uitzwemmen.''

``Brasems blijken vrij honkvast'', vervolgt Grift. ``Jonge brasems groeien op in de hoofdstroom van de rivier en, eenmaal volwassen, proberen ze in een van de plassen in de uiterwaarden te komen. Daar is meer voedsel en zijn nagenoeg geen natuurlijke vijanden (volwassen brasems hebben een hoge rug en zijn daarom te groot om door vogels gegeten te worden). Ze blijven er de rest van hun leven en planten zich er ook voort. De jonge brasems die in deze ondiepe plassen ter wereld komen, zwemmen eruit zodra ze bij hoogwater de kans krijgen. Zij zijn veiliger in de hoofdstroom.''

In de kleiputten is het water troebel en de diversiteit laag. Volgens Grift bestaat de visbiomassa in deze wateren voor 99 procent uit brasem en de rest is snoekbaars. ``Het is niet waarschijnlijk dat daar door natuurlijke processen verandering in komt. Daarom stel ik voor deze kleiputten te verbinden met de rivier en er zo een stromende nevengeul van te maken. De heldere plassen met waterplanten daarentegen, zijn belangrijk voor bijvoorbeeld zeelt en kroeskarper, ook typische soorten die in een uiterwaard horen. Deze plassen kunnen we daarom beter intact laten.''

kribben en dijken

De nevengeulen leveren een bijdrage aan het ecologische herstel van de sterk gekanaliseerde rivier die vanwege scheepvaart en veiligheid overal is voorzien van kribben en dijken. De stroomminnende riviervissen die er terugkeren zijn goede indicatoren voor de natuurkwaliteit, aldus Grift. ``Ze rijgen een aantal strenge eisen aan elkaar, en als daar niet aan voldaan wordt, laten ze zich niet zien. Dat ze er nu weer volop kunnen terugkomen in de uiterwaarden, wijst erop dat de waterkwaliteit inmiddels heel sterk is verbeterd.''

In totaal is nu 8.000 hectare nieuwe riviernatuur gerealiseerd, waarvan 300 hectare bestaat uit wateren die zijn verbonden met de hoofdstroom; nevengeulen of eenzijdig verbonden wateren. De overheid heeft plannen om de riviernatuur tot 16.000 hectare uit te breiden. Grifts advies is om in de uiterwaarden zoveel mogelijk verbindingen met de hoofdstroom te maken. Nevengeulen zijn beter dan eenzijdig aangetakte strangen omdat winde en riviergrondels alleen in stromend water paaien. De nevengeulen moeten dan bij voorkeur flauw aflopende oevers hebben waarop planten groeien die grote kans hebben om onder water te lopen. Grift: ``De uiterwaarden overstromen veel minder dan vroeger het geval was. Nu gebeurt dat vooral in de winter, als de afvoer van de rivier het grootst is. Maar ja, in die periode hebben de echte riviervissen er niets aan. Voor hen is het beter als de uiterwaarden ook in mei onderlopen, zodat zij hun eitjes kunnen afzetten op planten. Het ondiepe water is voor de opgroeiende larven ideaal: het is lekker warm en roofvis waagt zich er niet.''