Onze columnisten

De comfortabelste manier van omgaan met de schokkende veranderingen in de internationale situatie sinds 11 september is doen alsof er helemaal niets aan de hand is. De eerste paar dagen kon dat natuurlijk niet. Er moesten voetbalwedstrijden en theatervoorstellingen worden afgelast. Er was rouwbetoon. Maar, zoals dat altijd heet, het leven gaat door. Wat moet je anders? De televisie bestaat vijftig jaar, de bakker bakt brood, de provincie Gelderland wordt door knoeiers bestuurd, de talkshows gaan over de pedagogische tik (zoals kindermishandeling tegenwoordig heet) en het CDA maakt ruzie.

We staan aan de vooravond van het militaire antwoord van de Verenigde Staten en hun bondgenoten op de terreuraanvallen, maar dat is geen reden om niet gewoon door te gaan waar je gebleven was.

Toch getuigt het voor een politieke partij van een bijzonder gevoel voor timing om in deze omstandigheden eens fijn een potsierlijke interne machtsstrijd te voeren. Voor de omstanders is het hoogst amusant. Het geeft even afleiding, het laat je zelfs lachen, gieren en brullen. Maar het CDA toont er eens te meer mee aan niet langer als een serieuze politieke factor te kunnen worden beschouwd. Een zichzelf respecterende partij zou in deze dagen iets anders te doen hebben gehad dan onderlinge halsafsnijderij en persoonlijke afrekeningen. Hou de christendemocraten zeven jaar weg uit het centrum van de macht en er blijft weinig anders van over dan een verzameling drenzende kleuters of vechtende hooligans, waar vroeger deftige bestuurders, bedachtzame strategen en slimme tactici de trotse tradities van brede, geëmancipeerde volksdelen vertegenwoordigden.

Mijn vingers jeuken om ook, bij wijze van verzetje, net te doen alsof het business as usual is en dit stukje te wijden aan een Hans Hillen, die in HP/De Tijd niet alleen zijn hart lucht over het CDA (`Dat gezeik van die partij ben ik spuug- en spuugzat, het gekuip zit me tot de strot, dit is ziek tot op het bot'), maar tegelijk zijn eigen megalomanie etaleert: `In plaats dat de partij eindelijk eens trots is op iemand die zoveel talent heeft. Ik had er multimiljonair mee kunnen worden.'

Laat maar. Ik doe het niet deze week. Het CDA kan me gestolen worden, het is op dit moment even irrelevant, een klompendans op de ruïnes van het World Trade Centre, een fluim in het gezicht van kiezers die op die partij hebben gestemd met het oog op normen en waarden waarvoor christelijke politiek zou staan. Intussen zijn die kiezers even bezorgd als anderen, even onzeker over de nabije toekomst, evenzeer tobbend over de vraag hoe vastberadenheid tegenover het fundamentalistische terrorisme kan worden verenigd met een afgewogen, gerichte en humanitair verantwoorde reactie.

Op dit moment valt onmogelijk te beoordelen of het antwoord van de Verenigde Staten en hun bondgenoten op de externe aanval van 11 september zal voldoen aan de eisen van proportionaliteit en effectiviteit. Wat wel kan worden beredeneerd is dat het uitblijven van enig antwoord de wereld er nog onveiliger op zal maken dan ze al was. En bovendien dat de Verenigde Staten volkenrechtelijk gemachtigd zijn zich te verdedigen (geen gering verschil met de agressie-oorlog tegen de bevolking van Vietnam en de verborgen, in het geniep gevoerde oorlogen tegen de regeringen van Chili, Nicaragua, etc.)

Het zou uiteraard de voorkeur verdienen, zoals de Spaanse rechter Garzón betoogt, als het internationale terrorisme kon worden bedwongen zonder militair geweld, maar door middel van een internationale samenwerking tussen politie en justitie `via de directe goedkeuring van een internationaal verdrag over terrorisme'. Het ligt op de weg van de Nederlandse regering om zich overeenkomstig het pleidooi van Garzón in te zetten voor een definitie van terrorisme als misdaad tegen de menselijkheid, te berechten door het in Den Haag te vestigen Internationale Strafhof.

Op dit moment is deze oplossing nog een wensdroom. Betekent dit dat men redelijkerwijs van de Amerikanen mag verwachten dat zij met gekruiste armen gaan zitten en zich in eigen huis aan massamoord blootstellen? Ik vind van niet en dat is mij voor het eerst van mijn leven komen te staan op de kwalificatie van oorlogshitser.

Nu ben ik heus wel wat ongefundeerde scheldpartijen gewend. Meestal in de trant van `rooie slet van de Polder-Pravda'. Daar doe ik niet kleinzerig over. Maar het is een nieuwe ervaring voor me om door een collega in de krant ervan te worden beticht me schuldig te maken aan `de retoriek van volk en vaderland', het `gezonde volksgevoel' te huldigen, mee te helpen Nederland in een `verdwaasde oorlogsstemming' te brengen en een `nationale psychose' te helpen aanwakkeren. Toe maar! Ik zou in deze krant mijn steun `aan welk Amerikaans antwoord dan ook' verklaard hebben, wat ik natuurlijk nooit heb geschreven, want dan zou ik bij voorbaat medeplichtig zijn als een of andere gek het in zijn hoofd haalt een atoombom te gooien.

Het was Bas Heijne die mij de genoemde kleinigheden vorige week aanwreef, en niet alleen mij, maar `onze columnisten', die allemaal, met uitzondering natuurlijk van Bas Heijne, `onvoorwaardelijke trouw aan de Amerikaanse president hebben gezworen'. Dat `onze columnisten' hiervan werden beticht, is in zoverre een troost dat ik me in goed gezelschap bevind in plaats van in mijn eentje in deze kolommen de Polder-Pravda te moeten verzorgen.

Ik hou helemaal niet van gehakketak tussen columnisten dat de lezers koud laat. Maar treurig genoeg moet ik wel constateren dat iemand die onafhankelijk kan denken er niet voor terugdeinst zodanig te generaliseren dat `onze columnisten', te weten J.L. Heldring, vader en zoon Heertje, Ronald Plasterk en Leon de Winter allemaal als oorlogsstokend columnistenrapalje op één hoop worden gegooid. Bovendien: waar is dan die nationale psychose? Wie verkeert er in oorlogsstemming? En wat heeft `een groot aantal Nederlandse intellectuelen' (wie?) eigenlijk geschreven om van Heijne het verwijt te krijgen dat zij `opgelucht hebben toegegeven aan hun verlangen naar enkelvoudige waarheden'?

Je moet blijkbaar een dubbele waarheid huldigen, je behoort je te onthouden van een mening en niets-zeggen en niets-vinden als de hoogste taak van intellectuelen te beschouwen.