Nieuw clubje te Londen

Er kwam geen Tempelier of Rozekruiser aan de pas. De Vrijmetselaars werden in Londen opgericht door de anglicaanse kapelaan Jean Desaguliers en dominee James Anderson.

In 1717, het jaar waarin ook de St Pauls Cathedral werd opgeleverd.

In februari 1818 werd ten paleize van prins Frederik in Den Haag door een onbekende een geheimzinnig pakketje afgeleverd. Het bevatte een aantal oude documenten en een zestiende-eeuwse oorkonde die in geheimschrift was opgesteld. Of het echt was? vroeg de prins, op dat moment Grootmeester van de Grootloge der Vrijmetselaren, toen hij het aan de Grootsecretaris overhandigde. Dat leek het geval en daarmee kreeg datgene wat later de grootste vervalsing binnen de Nederlandse vrijmetselarij zou blijken, alle aandacht die de onbekend gebleven makers zichzelf hadden toegewenst.

De perkamenten oorkonde, doorgaans genoemd het Charter van Keulen, leverde het bewijs dat de vrijmetselarij minstens twee eeuwen ouder is dan 1717, het jaar waarin vier Londense loges zich samenvoegden tot één Grootloge en daarmee de vrijmetselarij oprichtten. Het document zou zijn opgesteld nadat vertegenwoordigers van negentien Europese vrijmetselaarsloges in Keulen in 1535 bijeen waren gekomen om een aantal misverstanden uit de weg te ruimen. Bijvoorbeeld over de schatten van de Tempeliers die de orde in bewaring zou hebben genomen. Verder kon men eruit afleiden dat in de vroegmoderne tijd een relatief simpele maçonniek gradenstelsel gangbaar was. Andere paperassen uit het raadselachtige pakket toonden aan dat er zelfs al in 1519 een vrijmetselaarsloge in Amsterdam bestond en dat een verre voorzaat van prins Frederik, stadhouder Frederik Hendrik, reeds vrijmetselaar was.

Toch rezen er twijfels over de authenticiteit van de archivalia. Die speelden de toenmalige vernieuwers binnen de vrijmetselarij immers stevig in de kaart en voorzagen hen bovendien van een historisch gefundeerde argumentatie. Helaas voor de twijfelaars was niet meer na te gaan of het om een vervalsing ging of niet. De Grootmeester was het originele pakket kwijtgeraakt. Het enige dat resteerde, was een facsimile van het charter dat Frederik had laten maken. Desalniettemin heeft men inmiddels onomstotelijk kunnen vaststellen dat de inhoud ervan naar het rijk der fabelen verwezen kan worden.

Iedereen, ongeacht politieke of godsdienstige gezindheid, kan lid van de vrijmetselarij worden. De broederschap vrouwen kunnen lid worden van een aparte Orde der Weefsters of van de gemengde Orde Droit Humain is wereldwijd verspreid en telt in Nederland momenteel circa 6.000 leden. Ze zijn lid van een van de 144 loges in Nederland, verspreid over ruim 70 plaatsen. Die loges vallen onder het gezag van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden, dat in 1756 werd opgericht.

Het verlangen naar een eigen geschiedschrijving van de vrijmetselarij dateert van het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw. Er verschenen allerlei historische werken over de vroegste geschiedenis van de vrijmetselarij, die nog steeds sterk tot ieders verbeelding spreken. Zo zou de vrijmetselarij haar oorsprong vinden in de Orde van de Tempelieren, de Rozekruisers of andere mystieke genootschappen. Zelfs werden er verwantschappen met mysteriediensten uit de Klassieke Oudheid de Mithrascultus bijvoorbeeld aangetoond. De gedachte `hoe ouder de wortels, hoe hoger de `status' vormde impliciet de motivatie om de vrijmetselarij te voorzien van een lange genealogie.

Om tegenwicht te bieden aan de nog altijd actieve romantische historici, die het liefst in iedere middeleeuwse kathedraal waar een troffel wordt afgebeeld een vroeg-maçonniek statement zien, werden er onderzoeksloges opgericht. Zo is in Engeland de Quatuor Coronati Lodge bedoeld om de wetenschappelijke bestudering van de vrijmetselarij te bevorderen. De Nederlandse pendant is de maçonnieke stichting Ritus en Tempelbouw. Deze stichting heeft de rijkste maçonnieke collectie ter wereld, in het Cultureel Maçonniek Centrum aan de Prinsessegracht te Den Haag, onder handbereik. Ieder jaar organiseert ze voor haar leden en introducés een landelijke studiedag, die kortgeleden in het teken stond van de voorgeschiedenis van de vrijmetselarij, in het bijzonder de `wegen die leiden naar 1717'.

Eén van de sprekers was Ton van de Sande, vanwege de Orde der Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden bijzonder hoogleraar `Vrijmetselarij als geestesstroming en sociaal-cultureel Europees verschijnsel' bij de faculteit Godgeleerdheid van de Universiteit van Leiden. In zijn lezing neemt hij stelling tegen het romantische `hineinmaçonnieren': de historische feiten tonen aan dat de maçonnerie niet voortkomt uit Egyptische genootschappen noch uit het middeleeuwse gilde van kathedralenbouwers, maar dat ze `uitgevonden' is in 1717. Voor veel vrijmetselaren is deze opvatting nog altijd ontluisterend. Had de presbyteriaanse predikant James Anderson in de `grondwet van de vrijmetselarij', de Constitutions uit 1723, niet nadrukkelijk over die vroeg-maçonnieke periode aan het begin van de jaartelling geschreven? Van de Sande knikt: ``Maar het was in de achttiende eeuw gebruikelijk dat geschiedschrijvers feiten en fictie door elkaar heen lieten lopen.''

Volgens Van de Sande is de vrijmetselarij `bedacht' door een aantal geleerden van de Royal Society, een opvatting die de laatste jaren internationaal steeds meer ingang vindt. ``Men had in Londen, na 1700, grote behoefte aan morele herbewapening.''

vrijplaats

Engeland had ruim een halve eeuw van burgeroorlog en partijtwisten achter de rug. De Whigs en de Tories bestreden elkaar te vuur en te zwaard. De bisschoppen van de Anglicaanse High Church verzetten zich uit alle macht tegen de toenemende invloed van de Dissenters, en ook het koningshuis van de Stuarts had aan de onrust zijn steentje bijgedragen door over te stappen op het gehate katholicisme. Na een periode van samenzweringen en intriges had de komst van William en Mary rust gebracht in de ontwrichte samenleving. De welvaart steeg en Londen groeide uit tot de grootste stad van Europa. Hoewel de stad door de snelle uitbreiding enorm verpauperde, ontwikkelde ze zich tegelijkertijd tot een vrijplaats voor vrijdenkerij. Geen wonder dat veel hugenoten, die na de intrekking van het Edict van Nantes in 1685 naar Engeland waren gevlucht, zich er snel thuis voelden. Van de Sande: ``Zij integreerden in de Londense gemeenschap door lid te worden van een van de maar liefst drieduizend clubs die Londen omstreeks 1700 telde.''

Door middel van die genootschappen hoopte men tegenwicht te kunnen bieden aan de instabiliteit van het land. ``Men had geen vertrouwen meer in de overheid'', verklaart de historicus Van de Sande, ``en er heerste een groot wantrouwen tegen de gevestigde orde. Vandaar dat men zich in de clubs ten doel stelde de mensheid beschaving, tolerantie en fatsoen bij te brengen.''

De anglicaanse kapelaan Jean Desaguliers (1683-1744), zoon van een hugenotenpredikant uit La Rochelle, stond aan de wieg van een van de vele clubs uit het begin van de achttiende eeuw: die van de vrijmetselarij. Hij had zich na zijn studie te Oxford opgewerkt tot bibliothecaris van de Royal Society en oogstte internationale bekendheid en waardering met zijn lezingen over experimentele filosofie.

christopher wren

Daarnaast was hij huisvriend van Isaac Newton. Diens ideeën over harmonie in de kosmos, met als kernbegrippen respect en tolerantie, werden door de vredelievende Desaguliers gretig omarmd. Van de Sande: ``Hij zag die ideeën gematerialiseerd in de St Pauls Cathedral, ontworpen door de sterrenkundige en filosoof Christopher Wren. Wren had de opdracht gekregen de afgebrande kathedraal in oude, gothische, stijl te herbouwen, maar dat weigerde hij. Uiteindelijk nam hij de opdracht aan onder voorwaarde dat hij tijdens de bouw nog wijzigingen zou mogen aanbrengen. Jarenlang wisten de opdrachtgevers niet waar hij mee bezig was. Door de opstelling van de steigers was immers niet te zien dat de nieuwe St Pauls een klassicistische vorm kreeg.'' De koepel was in 1710 klaar en in 1717 werd de kathedraal opgeleverd.

``Niet toevallig wordt in datzelfde jaar de vrijmetselarij opgericht'', merkt Van de Sande op. Op dat moment was Desaguliers onder anderen met dominee James Anderson lid van een club die ontstaan was als dispuutgezelschap rond het satirisch-moralistisch tijdschrift de Spectator van Joseph Addison en Richard Steele. Ook dit blad had zich in de vijf jaren van zijn bestaan (1709-1714) ingezet voor de beschaving van de burgerij. ``Onder meer hadden Addison en Steele in recensieartikelen `bad poets' vergeleken met barbaarse Goten, aan wie de majesteitelijke classicistische eenvoud van de `Augustan Style' ten voorbeeld werd gehouden. Architectonische metaforen, zoals later in de vrijmetselarij gangbaar zouden zijn, waren in die jaren derhalve niet ongebruikelijk.''

Desaguliers heeft waarschijnlijk het initiatief genomen om, met Anderson, een nieuwe club op te richten. Hij maakte zich oprecht bezorgd over de impasse waarin de Engelse kerk terecht was gekomen door de felle controverse tussen High Church en Dissenters. Zijn club moest juist een forum worden waar alle protestanten zich zouden kunnen thuisvoelen, om te zoeken wat verenigt en uit de weg te ruimen wat verdeelt. In dit forum moest men in navolging van Newtons theologie kunnen filosoferen over de plaats van de mens tegenover God en de wereld. De populaire Wren met zijn imposante St Pauls inspireerde de oprichters tot gebruikmaking van de symboliek die de tempel- en kathedralenbouwers van vroeger hanteerden. Van de Sande: ``Die symboliek kreeg een newtoniaanse invulling. En net als het geval was bij zoveel andere genootschappen uit die tijd werden ook voor de nieuwe vrijmetselaarsclub, die een loge werd genoemd, initiaties en rituelen bedacht.''

Die eerste vrijmetselaars zochten naar een ludieke vorm om met het zich toegeëigende verleden te kunnen omgaan. Van de Sande: ``Men moet het amusant gevonden hebben om volgens middeleeuwse metselaarsrituelen ingewijd te worden. De Middeleeuwen vond men duister, dus dat maakte die inwijding alleen maar spannend.'' Het bleek een meesterzet, de koppeling van het newtoniaanse gedachtengoed aan de traditie (de `lore', tegenover de `folk-lore') van de metselaarsgilden. Die traditie bevatte een rijkdom aan speculatieve mogelijkheden. Van de Sande: ``Door de jaren heen zijn er allerlei rituelen en tradities aan toegevoegd, waardoor er ook zijstromen ontstonden. Er werd een ridderlijke afkomst bedacht en ook de piramidebouwers werden aan de traditie toegevoegd.''

Desaguliers, Anderson en de overige maçonnieke `aartsvaders' waren volgens Van de Sande serieuze wereldverbeteraars die vreesden voor ordeloosheid in Engeland. ``Dat anarchisme wilden ze een halt toeroepen door protestanten binnen en buiten de Church of England in broederschap te verenigen, maar althans in onze ogen ook prettig gestoorde lieden van de leisure class, die de gezelligheid van een club combineerden met het bedrijven van de newtoniaanse fysicotheologie.'' Net als in de Royal Society wensten ze ook in de nieuwe club niet over politiek te praten, omdat ze om zich heen zagen hoezeer politiek de maatschappij verdeelde. Juist doordat ze zich de symboliek van de oude bouwkunde in die tijd zeer populair hadden toegeëigend, werden ze `salonfähig' en trokken ze leden uit de hogere burgerij en zelfs uit hofkringen naar zich toe. ``Daardoor hebben de vrijmetselaars het in tegenstelling tot vele andere clubs uit die dagen ook op de zeer lange termijn kunnen redden.''