Namen geven

De oorlog die nu in voorbereiding is zou `Operation Infinite Justice' gaan heten. Deze wetenschap ontleen ik aan William Safire, eens speechwriter van Richard Nixon en nu columnist van The New York Times. Operatie Oneindige Rechtvaardigheid. Hoe krijg je het uit je hersens? Gelukkig hoorde een deskundige op het gebied van de Amerikaans-islamitische betrekkingen er bijtijds van. De oneindige rechtvaardigheid, zei hij, is voorbehouden aan God. Minister Rumsfeld was het met hem eens en sprak zijn veto uit.

Safire meldt dan dat de vondst niet uit de hersens van een speciaal iemand kwam. Er is een softwareprogramma, genaamd Code Word, Nickname and Exercise Term System. Je voert de elementaire gegevens in, de computer begint te ritselen en komt tevoorschijn met een reeks woordcombinaties waarvan er zeker een het doel kan dienen. Hebben ze geen dichter of een copywriter des vaderlands op het Pentagon? Dat wel. Dit programma dient niet om een tekort aan creativiteit te compenseren, maar om te vermijden dat straks iemand persoonlijk verantwoordelijk kan worden gesteld als blijkt dat de natie door een verkeerde benaming in nationale verlegenheid is gebracht. Ik moest denken aan Julius Vischjager, hoofdredacteur van de Daily Invisible. Met vooruitziende blik zei hij al jaren geleden: ,,De computer is de jood van deze samenleving. Loopt het mis, dan krijgt hij de schuld.''

Een oorlog moet een naam hebben. De Trojaanse, de Tachtigjarige, de Honderdjarige, de Zesdaagse, de Grote Vaderlandse, noem maar op. In oude tijden kreeg zo'n oorlog een naam nadat hij was afgelopen. De oude tijden zijn voorbij. Eerst hebben grote operaties die onderdeel van een oorlog waren zelf een naam gekregen: operatie Barbarossa, operatie Overlord. Dat waren codenamen. Alleen ingewijden mochten weten dat daarmee Hitlers inval in de Sovjet-Unie en de Invasie werden bedoeld. Later zijn het historische namen geworden.

Nu moet een oorlog een naam hebben nog voor het eerste schot gelost is. Om te voorkomen dat de militaire onderneming door het publiek zou worden onderschat, is de Golfoorlog `Operation Desert Storm' genoemd. Dat is wel tien jaar geleden, vóór onze tijd waarin het grote werk aan de computer wordt toevertrouwd. Maar woestijnstorm begint toch al naar software te smaken. Je zou er zelf niet zo vlug opgekomen zijn. Het programma zit vol met woorden uit de boeken van Karl May, het Oude Testament, teksten van Billy Graham, Florence Nightingale, Arnold Schwarzenegger. Uit dit basismateriaal kan de computer binnen een paar seconden een miljoen combinaties vormen. Dan wordt er een scherpe omschrijving van het doel ingevoerd. De computer doet zijn voorstellen. Hoe scherper de omschrijving, hoe beperkter het aantal. Zo krijg je dan `Desert Storm' of `Essential Harvest' of zoiets, of `Infinite Justice'. Safire vestigt de aandacht er op dat combinaties met kruistocht evenmin gelukkig zijn onder deze omstandigheden. Het publiek in het Midden-Oosten denkt anders over Godfried van Bouillon dan wij.

Het is waar dat sinds de mensen ruzie met elkaar hebben gekregen, ze zich zo vervaarlijk mogelijk voordoen, voor ze daadwerkelijk aan de slag gaan. De Germanen tooiden zich met ossenhorens. De Franse helmen hadden nog tot in de Tweede Wereldoorlog in de lengte over de bol een krijgshaftig ornament nog uit de tijd van Jeanne d'Arc. De kogels van de eigentijdse vijand werden er gevaarlijker door. Het is normaal, dat gedrag van de geweldenaar. Toch staat het me tegen: het gebruik van deze hypermoderne reclametaal waarin de gladheid van de buiten verantwoordelijkheid van iedereen met een computer werkende copywriter gecombineerd wordt met de geautomatiseerde megadood. Ik vroeg me af hoe Willem de Zwijger in deze tijd de Tachtigjarige Oorlog zou hebben aangekondigd en wat Philips II daarop zou hebben geantwoord.

En terwijl ik dit schrijf, terwijl de volgende fase van de oorlog nog niet is uitgebroken, schieten me televisiebeelden te binnen: van onze minister van Defensie Frank de Grave. Hij heeft een soldatenpak aan, volle bepakking. Hij beweegt zich voor de gelederen van het Nederlandse detachement in Macedonië in tijgersluipgang over de grond. Bewindsman in tijgersluipgang. Aan het gezicht van de manschappen is te zien dat ze niet weten hoe ze het hebben. Ze zijn naar Macedonië gekomen om de wapens van Albanese rebellen in te zamelen. Nu moeten ze hun naderende slappe lach onderdrukken. Je ziet het wel meer: een hooggeplaatste die zich tussen het volk mengt en denkt dit het best te kunnen doen door zo gewoon mogelijk te zijn, dat wil zeggen door de komiek uit te hangen. Als ik minister-president was zou ik ten behoeve van het kabinet door de hoofdvoorlichter een boekje met gedragsregels laten schrijven. Regel één: nooit proberen leuk te zijn want dat mislukt altijd.

Vóór hij zijn tijgersluipgang had gedemonstreerd, had de minister, nog in Nederland, het woord tot de manschappen gericht. `Deze klus is geen zacht eitje, mannen!', zei hij. Zelf verzonnen? Of van een tekstschrijver? Essential Harvest, noodzakelijke oogst. Flauwekul uit de computer. Een klus die geen zacht eitje is. Hoe lullig ook, het klinkt één nuance beter.