Ik klaag niet, ik klaag aan

Moet een universiteit bezwijken voor de roep van studenten om meer entertainment tijdens hoorcolleges? Geef studenten een budget waarmee ze hun eigen onderwijs kunnen inkopen, zegt Bertold Gunster, die docenten bijspijkert. Ik ben een power point, zegt Abram de Swaan in reactie op het verwijt van zijn baas, de Amsterdamse college- voorzitter Noorda.

In honderden collegezalen en in duizenden klaslokalen is het dag in dag uit een zootje. Dat het zo erg is, wist ik ook niet, toen ik in het Zaterdags Bijvoegsel van 8 september een stuk schreef over de waar gebeurde voorvallen in de gefingeerde studierichting `interactiewetenschap'. Op dat relaas kwamen tientallen reacties binnen en het was in docentenkamers het gesprek van de dag. Maar waarom zijn die wantoestanden niet eerder openlijk aan de kaak gesteld? Viermaal per uur geeft de radio de fileberichten door, de kranten melden dag in dag uit de vertragingen bij de Spoorwegen, maar over de verstoringen in de collegezalen hoor je nooit iets. Hoe dat komt wordt duidelijk uit de binnengekomen reacties.

Deze ingezonden stukken vallen ruwweg in twee soorten uiteen. De eerste komt van de betweters en de goedpraters: de studenten valt niets te verwijten. Het onderwijs moet in kleine groepjes gegeven worden, of beter nog via het internet. Het hoorcollege is achterhaald. Het ligt eigenlijk allemaal aan de docent, die zou meer van zichzelf moeten geven, pakkender moeten doceren, en plaatjes vertonen. Die reacties had ik voorzien.

Blijkbaar ben ik niet duidelijk genoeg geweest. Ik was verbijsterd over het wangedrag op de colleges `interactiewetenschap', omdat ik zoiets niet eerder had meegemaakt. Ik was daar voor één seizoen gastdocent; in mijn gewone doen geef ik het eerstejaarshoorcollege voor sociologen, en daar komen zulke gekkigheden maar zelden voor.

De tweede soort reacties deed verslag van overeenkomstige ervaringen op college en in de klas. Uit die verhalen werd me pas duidelijk hoe vaak de misstanden die ik beschreef voorkomen. En er bleek nog iets anders uit. Het zijn vooral de studenten die zich ergeren aan het rumoer en gedoe op college. Dat ligt ook voor de hand, zij hebben er het meeste last van. Maar waarom gaat het dan toch zo vaak mis?

Daar is een wetenschappelijke verklaring voor, het `Goudsblom-effect', dat ik ook al in het voorafgaande stuk noemde: de sociooog Johan Goudsblom bracht een sociaal mechanisme onder de aandacht dat zich ook in de klas of op college voor kan doen als daar niets tegen ondernomen wordt. Het is een schoolvoorbeeld van een `blind proces', van de onbedoelde sociale gevolgen van individueel gedrag. Het gaat `vanzelf'. Er zijn niet eens aanstichters of boosdoeners voor nodig. Twee studenten beginnen te fluisteren, de een vraagt de ander misschien volkomen te goeder trouw toelichting op de leerstof. Afgeleid murmelt een studente op de bank daarachter iets tegen haar buurman die haar al even zachtjes antwoordt. Drie rijen verder beklaagt iemand zich over het gesis en geruis, maar daardoor kan een ander het college niet meer goed verstaan en vraagt half hardop wat er gezegd werd. Zo verbreidt zich in steeds wijder kring een steeds luider gemurmureer dat nog weer anderen stoort en hun ook de geluidsdekking geeft voor een eigen conversatie. Het geroezemoes grijpt om zich heen; omdat het college nu nog maar moeilijk te volgen is, gaan zelfs de toegewijde studenten in arren moede zitten kletsen. `Dan ga ik ook maar zitten keten' schrijft een opmerkzame student. `Maar daar ben ik niet voor gekomen, dat doe ik liever in de disco.'

Als het zover is, is het al te laat. De docent kan het rumoer negeren en maar doorleuteren dwars door de geluidsbarrière heen, of hij kan uitvallen in een donderpreek. Maar dan is al niemand meer individueel aanspreekbaar, niemand hoeft het zich nog persoonlijk aan te trekken. En als het lawaai eenmaal gewoon geworden is, de normale gang van zaken op de colleges interactiewetenschap, dan komen de studenten al binnen met de verwachting dat er niets meer te luisteren valt, alleen nog maar te kletsen.

Een universiteit die dat toelaat maakt zich schuldig aan wanprestatie. Ze biedt de studenten niet de omgeving waarin ze behoorlijk kunnen studeren. Maar waarom doet niemand daar iets aan, waarom grijpt de leiding niet in?

Ik wou dat het niet zo was, maar op die vraag kwam een onthullend en onthutsend antwoord. De redactie van dit bijvoegsel kwam op het idee Sijbolt Noorda, de voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam daarover te interviewen. Laat dat nou net de universiteit zijn waar ik al zo'n kleine dertig jaar les geef. De voorzitter ontkende niet dat het op de colleges maar al te vaak een bende was. Maar daar ging hij verder niet op in. Zijn reactie was er een van de eerste soort: de studenten van tegenwoordig zijn nu eenmaal gevarieerder dan vroeger. ,,Je zou ze moeten kunnen selecteren aan de poort'', zei hij. Selecteren aan de poort? De loltrappers, fuifnummers en laatkomers er tussenuit halen? Dat kan toch helemaal niet. Dat weet de voorzitter natuurlijk ook wel. Maar ach, wat geeft het ook. ,,We zijn grote liefhebbers van klagen op de universiteit. Klagen schept een band, maar het helpt niets.'' En aan al die klachten heeft hij kennelijk lak. Maar ik klaag niet, ik klaag aan. Dat is wat anders.

Ineens ziet de voorzitter scherp waar het aan ligt. Het ligt aan De Swaan, die ,,geeft al 25 jaar op dezelfde manier les: hij spreekt zacht met lange zinnen''. Hij raakt op dreef: ,,Ik zou het wel weten. Ik zou met een powerpointpresentatie komen, korte zinnen en grappen.''

Dat komt niet vaak voor – een bestuurder die zijn eigen mensen afvalt. De lezer is ongewild getuige van een disciplinaire maatregel in het openbaar. Sta me toe dat ik even voor mezelf opkom. In korte zinnen. Met grappen.

Ik gebruik al jaren een computerpresentatie en laat zo ongeveer halverwege het uur wat plaatjes zien. Dat is in mijn geval functioneel, want zo leren studenten `sociologisch kijken'. Ik beschik over een zendermicrofoon en bovendien heb ik een stentorstem waarmee ik me twee uur lang tot op de achterste rij verstaanbaar kan maken wanneer op de universiteit van Noorda de geluidsinstalltie weer eens is uitgevallen. Ik geef college, ongeveer zoals ik schrijf, maar dan zonder aantekeningen, uit het hoofd. Dat is pas een power point.

Echt verbijsterend is iets dat Noorda zonder het zelf te merken de lezer laat merken. ,,Hij kan beter geen college geven aan grote groepen eerstejaars. Het is een generatiekwestie.'' En net als die zinsnede `al 25 jaar' is dat voor Noorda vanzelfsprekend een diskwalificatie. Moet hij nog meer zeggen? Een kwart eeuw ervaring. Weg met die man.

Er zijn mensen die denken dat oudere, ervaren krachten juist meer geschikt zijn om kennis aan jongere generaties over te dragen. De meeste studenten denken dat. Maar aan de universiteit heeft zich een nieuw soort etatisme verbreid: de ouderenhaat. Het treurigste is, dat juist mensen van middelbare leeftijd aan die zelfhaat ten prooi vallen. Als maar niemand hen op hun jaren aankijkt.

Maar gelukkig eindigt het vraaggesprek op een positieve noot: Rick van der Ploeg, die kon pas college geven. De voorzitter deelt ongevraagd een complimentje uit. De pluche tijger kan ook kopjes geven, schuins lonkend naar omhoog. Want, Van der Ploeg, is dat niet de staatssecretaris van Cultuur? Het is geruststellend te zien dat Noorda in elk geval een scherp oog heeft voor de belangen van de universiteit.

Ik klaag niet. Ik heb uit de school geklapt. Dan kun je zoiets verwachten. En daarmee wordt ook duidelijk waarom niet eerder iemand die wantoestanden openlijk heeft aangeklaagd. Maar van nu af aan zal het nog heel veel, heel vaak gebeuren. Totdat docenten weer gewoon de orde durven houden en studenten weer gewoon kunnen studeren.

Abram de Swaan is hoogleraar sociologie aan de UvA. Hij is op 1 september door het College van Bestuur benoemd tot universiteitshoogleraar. De vijf universiteitshoogleraren worden geacht 'een belangrijke bijdrage te leveren aan de profilering van de universiteit.'