ER ZIJN GLADDE STOFVIJVERS IN KRATERS VAN EROS

Toen de Amerikaanse ruimtesonde NEAR-Shoemaker op 12 februari van dit jaar naar de planetoïde Eros afdaalde, werd een serie van steeds detailrijker opnamen van het oppervlak gemaakt. Die opnamen lieten een grote verscheidenheid aan structuren zien, waarvan er één tot nu toe nog niet op andere hemellichamen was gevonden (Nature, 27 september). Het gaat om vlakke afzettingen in kraters die zo glad zijn als vijvers, maar dat natuurlijk niet zijn. Het kunnen ook geen lavavlakten zijn, omdat Eros met zijn grootste diameter van 34 kilometer veel te klein is om ooit vulkanisch actief te zijn geweest. De `vijvers' komen vooral voor in een strook van ongeveer 30° breed rond de evenaar, dus in het gebied waar de zwaartekracht op Eros het geringst is. Rond de evenaar is de hoeksnelheid van deze planetoïde het grootst en wordt zijn zwakke gravitatieveld het sterkst door de centripetaalkracht tegengewerkt. De diepte van de vijvers kan worden afgeleid uit de diameter van de kraters waarin ze voorkomen, aannemende dat deze kraters dezelfde vorm hebben als de kraters die elders op Eros worden gevonden. De maximum diepte van de vijvers blijkt dan enkele meters te bedragen.

Het vlakke materiaal in sommige kraterbodems werd gedurende de laatste momenten van de afdaling naar Eros waargenomen en blijkt tot een detailscherpte van 1,2 centimeter geen structuur te vertonen. Mike Robinson en zijn collega's leiden hieruit af dat het materiaal uit deeltjes kleiner dan een centimeter bestaat. Dat staat in schril contrast met het materiaal rond de kraters, dat uit rotsblokken tot meters groot bestaat. Ook de kleur van het vijverachtige materiaal verschilt van dat van zijn omgeving: het is relatief blauw. Toch moet de samenstelling van dit materiaal gelijk zijn aan dat van zijn omgeving, aangezien het onderzoek aan Eros heeft uitgewezen dat deze planetoïde overal dezelfde samenstelling heeft.

De verdeling van de vijvers op Eros blijkt goed overeen te komen met de gebieden met de meeste zonneschijn. De onderzoekers suggereren daarom dat deze vijvers zijn ontstaan door de foto-ionisatie van submicroscopisch kleine deeltjes in de door de zon beschenen equatoriale gebieden van Eros. Zulke deeltjes krijgen dan een elektrostatische lading, waardoor ze boven het oppervlak gaan zweven en op den duur op een vloeistofachtige manier in gebieden met geringere zwaartekracht kraterbodems kunnen worden verzameld. De blauwachtige kleur van de ponded deposits zou dan samenhangen met de optische eigenschappen van deze submicroscopisch kleine deeltjes.

In een begeleidend commentaar in Nature wijst de Amerikaanse geofysicus Erik Asphaug op de problemen die dit stof voor het toekomstige onderzoek aan planetoïden kan opleveren. Als het oppervlak van deze hemellichamen voor een belangrijk deel uit elektrostatisch geladen deeltjes bestaat, zal elke verstoring stof doen opwaaien dat zich op apparatuur afzet, er in doordringt en dit onklaar kan maken. Ruimtesondes moeten liever niet in een stofvijver landen en zeker niet als er ook astronauten aan boord zijn. Het stof op de maan met zijn veel sterkere gravitatieveld was al een groot probleem voor de Apollo-astronauten, zodat het gedrag van geladen deeltjes onder microzwaartekracht eerst moet worden bestudeerd voordat aan meer ambitieus planetoïdenonderzoek kan worden begonnen, aldus Asphaug.