Dienstplicht is geen antwoord op het terrorisme

Herinvoering van de dienstplicht. En niet alleen mannen, ook vrouwen zouden voortaan de dienstplicht moeten vervullen. De opleiding zou niet gericht moeten zijn op de militaire verdediging, maar op de civiele verdediging van ons land. De voorstellen die Joost van Kasteren deed naar aanleiding van de aanslagen, op elf september in Amerika, zijn echter overbodig en onrealistisch (Opiniepagina, 27 september).

Van Kasteren wil een dienstplicht van zes maanden waarin jonge mannen en vrouwen zich moeten bekwamen in vechtsporten zoals judo en taekwondo. Daarnaast zou men zich meer moeten verdiepen in de problemen van deze wereld. Ook het behalen van het EHBO-diploma maakt onderdeel uit van de civiele dienstplicht. Omdat kennis kan verouderen en de conditie kan afnemen moet men, na de basisopleiding van zes maanden, elke vijf jaar op herhaling.

Het is de vraag of dit een taak is voor de overheid. Het is de verantwoordelijkheid van burgers zelf om hun fysieke conditie op peil te houden. Hier past geen overheidsdwang, hoogstens stimulering.

Van Kasterens voorstellen zijn niet effectief. De civiele `verdediging' moet op een andere wijze worden ondersteund. Sinds de Defensiennota 2000 is de derde hoofdtaak van de krijgsmacht de ondersteuning van civiele autoriteiten bij de rechtshandhaving en de rampenbestrijding. De uitvoering van die hoofdtaak heeft zich de laatste jaren beperkt tot bijvoorbeeld logistieke ondersteuning van de operatie `varkenspest', de bijstand aan de politie bij de MKZ-crisis, de militaire hulp bij de ramp in Enschede en dijkbewaking bij de grootschalige wateroverlast in 1995 en 1998.

Sinds 11 september is het perspectief van de derde hoofdtaak van de krijgsmacht veranderd. De kwetsbaarheid van een open samenleving, zoals die in Nederland, is blootgelegd.

De vraag die Van Kasteren niet beantwoordt, is wat de burger van de overheid mag verwachten als het gaat om terrorismebestrijding. De politiek moet zich die vraag wel stellen. De middelen waarover de overheid kan beschikken staan hierin centraal.

Het potentieel aan militairen dat direct en gedurende langere tijd kan worden ingezet voor ondersteuning van de nationale rechtsorde is beperkt. Dat geldt zowel voor de bijzondere bijstandseenheden van mariniers als die van de Koninklijke Marechaussee. Ook hier is personeelstekort troef. Bovendien heeft het parate deel van de krijgsmacht zijn handen vol aan de vredesoperaties, waarmee een wezenlijke bijdrage wordt geleverd aan de ondersteuning van de internationale rechtsorde.

Verder wordt defensie al enkele jaren geconfronteerd met een groot personeelstekort. De uitstroom is groter dan de instroom. Wanneer dat tij niet snel wordt gekeerd, zal dit ten koste gaan van de inzetbaarheid van de krijgsmacht en komt het politieke ambitieniveau ter discussie te staan.

Toch kan de krijgsmacht op korte termijn zijn capaciteit voor de ondersteuning van de nationale rechtsorde vergroten, als hij maar bereid is om het reservistenbeleid te herzien. Het reservepersoneel van de krijgsmacht, bestaande uit voormalige dienstplichtigen, ex-BBT'ers, en vrijwilligers bij de Nationale Reserve, vormt een capaciteit die te veel onbenut wordt gelaten. Het denken in oude kaders, waar reservisten alleen nodig zijn bij een groot conflict, is een achterhaald concept.

Het alleen kunnen oproepen van reservisten in buitengewone omstandigheden, een situatie die men vroeger kon vergelijken met de mobilisatie, beperkt de overheid in haar slagvaardigheid. De burger is niet geïnteresseerd of het wel past in een juridisch kader. De overheid dient zijn zaken voor elkaar te hebben als het eropaan komt. Herziening van het reservistenconcept is dan ook dringend gewenst. Aan de reservisten zal het niet liggen. Zij zijn loyaal en zetten zich voor honderd procent in. Defensie moet de reservist dan ook niet beschouwen als een vergeeld exemplaar in een kaartenbak, als een ex-werknemer die men van stal haalt als de nood hoog is. De reservecomponent dient juist een geïntegreerd deel van de personele capaciteit van de krijgsmacht te vormen.

Dit dringt te meer nu de parate vulling van de krijgsmacht achterblijft bij de verwachtingen. Wellicht kan de dienstplichtige Van Kasteren van de lichtingsploeg 76-1 op deze manier zijn bijdrage leveren aan de civiele verdediging.

M. van den Doel is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractie van de VVD.