De liefdadige schrijver

De eerste concerten voor de slachtoffers van 11 september zijn al georganiseerd. Er zullen er meer volgen, en er zullen internationale inzamelingsacties komen, ook voor de indirecte slachtoffers. De televisie is een medium dat medeleven verwekt. Omdat de kijker schijnbaar bij de gebeurtenissen aanwezig is, voelt hij zich betrokken. Hij voelt zich schuldig omdat hij niet direct kan helpen. Dat brengt vrijgevigheid op gang, en vervolgens is de tv ook de propagandamachine daarvoor. Grote liefdadige acties lijken onlosmakelijk met de televisie verbonden te zijn. `Open het dorp' ligt in het geheugen vastgeketend als de eerste grootschalige nationale actie, en het optreden van de drie tenoren was een spectaculaire internationale daad.

Het succes van een inzameling stijgt als bekende openbare figuren zich eraan verbinden. Robert ten Brink aan de microfoon en zijn dochters achter de telefoons en de zes magische nullen worden bereikt. Maar van groots opgezette inzamelingen konden onze voorvaders ook wat. Zonder de hulp van snelle media wisten ook de negentiende-eeuwers nationale acties te voeren. De sopraan Jenny Lind, de Zweedse nachtegaal, ging de drie tenoren voor met liefdadigheidsconcerten in heel Europa. Maar het waren vooral schrijvers die het voortouw namen bij inzamelingen, eigenlijk min of meer vanzelfsprekend, omdat zij beschikten over het enige medium dat veel mensen kon bereiken: de drukpers.

De negentiende eeuw is de eeuw van de liefdadigheidsuitgaven. Als er een overstroming was geweest, een brand, als er een standbeeld opgericht moest worden, als de cholera slachtoffers maakte, als de aardappeloogst mislukt was, dan was er altijd wel weer een dichter die speciaal voor de noodlijdenden een gedicht schreef dat vervolgens door een uitgever kosteloos gedrukt werd en in de handel gebracht. Er kon op een gegeven moment geen dijk meer breken of er verscheen een liefdadigheidsdrukwerkje. De uitgave telde vaak maar enkele pagina's en kostte dan niet meer dan een kwartje. De doelgroep was bij deze kleine drukwerkjes duidelijk: iedereen uit de kleine burgerij moest zo'n boekje kunnen aanschaffen om de rampzaligen te helpen. Er waren amateuristische lokale dichters die zich inzetten voor de geldinzameling, maar ook gevestigde schrijvers leenden zich er voor. Zowel Willem Bilderdijk als Multatuli deden eraan mee, en natuurlijk de domineedichters zoals Beets, Van Koetsveld, Ten Kate, Hasebroek en Ter Haar.

Veel van die uitgaafjes zijn verloren gegaan. Ik heb er zelf maar een of twee in mijn kast staan en je komt ze zelden tegen bij antiquariaten. Als je er een in handen krijgt, pink je al een traan weg vanwege de hartbrekende eenvoud. Goedkoop papier, geen typografische versieringen zoals gebruikelijk, slechts een gedichtje `ten voordeele van'...en dan zo'n titel als Ontboezeming, bij het vernemen der tijding van het verongelukken van negen varensgezellen uit Hellevoetsluis, waaronder acht vaders van huisgezinnen, bij hunne poging tot redding van het in nood verkeerend Oostenrijks Bankschip.

De eerste ramp die een soort nationale actie op gang bracht, was de ontploffing van het kruitschip in Leiden in 1807, waarbij 151 doden en meer dan 2000 gewonden vielen en een onvoorstelbare ravage aangericht werd. Voorheen hadden dergelijke rampen niet tot nationale maar tot regionale bewogenheid geleid. De Franse tijd had een nationale infrastructuur gebracht en dus kon er ook een nationale inzameling komen. Willem Bilderdijk, die zelf een paar schrammen opliep bij de ontploffing en wiens huis verwoest werd, had juist zijn grote dichtstuk De ziekten der geleerden op de persen liggen. Meteen bestemde hij de opbrengst voor de slachtoffers. Vele dichters volgden hem met speciaal voor de gelegenheid geschreven rampdichten. In Leiden zelf, in Amsterdam, Utrecht, Haarlem en zelfs in Groningen verschenen de uitgaafjes. Ook Hendrik Tollens schreef een speciaal gedicht, `Zucht bij de ramp van Leyden', dat eindigde met de veelgeciteerde en paradoxale regels:

`k Heb tranen voor de rampspoed over - / Gezangen heb ik niet.

Tollens is in de eerste helft van de negentiende eeuw de nationale rampendichter. Als Tollens een vers schreef voor een actie, dan was de opbrengst zeker. Gedurende zijn lange leven schreef hij enige tientallen liefdadigheidsverzen. De Leidse wezen die op nieuwjaarsdag rond mochten gaan bij de burgerij met een velletje poëzie, konden jaar in jaar uit op zijn pen rekenen. Tollens wist een gevoelige snaar bij de mensen te treffen als hij zich in dichtvorm uitsprak voor wat in het algemeen de `minbedeelden' heette. Het doel van zijn liefdadigheidspoëzie is vrij simpel: onmiddellijk hulp bieden bij natuurrampen of ongevallen.

Bij welke gelegenheden verschenen er nu liefdadigheidsuitgaven? Overheersend waren gedichten bij rampen, zoals explosies, brand, het uitbreken van een besmettelijke ziekte zoals de cholera. Vooral overstromingen appelleerden blijkbaar zo aan collectieve angsten, dat die een stroom van liefdadigheidspoëzie op gang brachten voor ondersteuning van de slachtoffers. Bij de overstroming van het rivierengebied van Maas en Waal in 1855 verschenen er minstens 68 uitgaven. Van wat binnenkwam voor de slachtoffers werd nauwkeurig verantwoording afgelegd in de dagbladen. Rampen waren niet de enige aanleiding. Armen, weduwen en wezen konden ook begunstigd worden door een uitgaafje, vooral in tijden van bittere kou. Er is zelfs een uitgaafje ten voordele van een oud-souffleur en een voor een ten onrechte gevelde eik. Ook culturele doelen worden door de liefdadigheidspoëzie geholpen: verschillende monumenten zijn bij elkaar geschreven door schrijvers. De standbeelden van Vondel, Rembrandt en Tollens zijn op literaire inkt gebouwd.

Het verschijnsel van de liefdadigheidspoëzie is niet voorbehouden aan de negentiende eeuw, maar in geen enkele andere eeuw is op zo grote schaal de poëzie gebruikt om mensen tot liefdadigheid te bewegen. Maar de schrijvers waren slechts de handlangers van de hele maatschappelijke elite, die zich massaal op de liefdadigheid stortte.

In 1899 verscheen de Gids der Nederlandsche weldadigheid. Het is ongelooflijk hoeveel liefdadigheidsinstellingen er dan zijn. Meer dan 40 kerkgenootschappen buigen zich over oude lieden, wezen, verwaarloosden, gevallen vrouwen, kraamvrouwen, krankzinnigen, idioten, doofstommen, drankzuchtigen, blinden, verminkten, oud-bakkers, oud-priesters, oud-musici en oud-schrijvers. 1120 bladzijden lang staan er in deze gids opsommingen van hofjes, armenhuizen, stichtingen, verenigingen, steunfondsen, tot en met het Tollensfonds voor behoeftige schrijvers.

Liefdadigheid maakte deel uit van het dagelijks leven van de gegoede burgerij. Het was geen willekeur of opgedrongen plicht. Er zit wel iets heel dubbels in die toegenomen zorg voor de behoeftigen. Door de Romantiek was men gevoeliger geworden, makkelijker aangedaan door het leed van anderen. Maar er was ook een rotsvast vertrouwen in de maakbaarheid van de samenleving, dus als iedereen zijn schouders onder een misstand zette, was die te verhelpen.

Het liefdadig karakter van Holland kreeg zelfs mythische vormen. De Frans-Nederlandse koning Lodewijk Napoleon heeft na zijn Hollandse avontuur zijn herinneringen op schrift gesteld in een brievenroman, Maria, of de Hollandsche vrouwen. De Hollanders, zegt hij, munten uit in vrijgevigheid bij rampen. De koele baatzuchtige Hollanders zetten zich dan over alle verschil in godsdienst, stand of rijkdom heen, en geven wat nodig is.

Lodewijk Napoleon zette de toon voor het vorstenhuis bij rampen. Na de buskruitontploffing in Leiden bezocht hij de aangeslagen bevolking, bij overstromingen ging hij in een bootje door het gebied. Hij was wel zo slim daar een gravure van te laten maken en te verspreiden, zodat zijn betrokkenheid duidelijk bleek. Een deel van zijn populariteit was daaraan te danken.

Als ik het bekommerde gezicht van de koningin op televisie zie bij haar bezoek aan rampgebieden, moet ik altijd denken aan die gravures van Lodewijk Napoleon, die overigens weer ten voordele van de slachtoffers verkocht werden. Zouden de fotografen die dat mooie plaatje schoten van Beatrix in de Bijlmer, waar ze haar hand in totale verbijstering voor haar mond slaat, hun royalty's ook gestort hebben in een fonds `ten voordeele van'? En de amateurs die hun opnames van de vliegtuigen die de torens van het WTC penetreren, verkochten aan CNN, wat zouden die voor liefdadigs met het geld gedaan hebben?