DE EUROPESE JAZZ UNIE

Europa mag een Unie zijn, er bestaat geen Europese jazzscene. Daarom werd het European Jazz Youth Orchestra opgericht, een gelegenheidsorkest met toptalent dat 's zomers door Europa toert. Vijftien uur studeren per dag, slapen in de bus en 's avonds doorspelen tot in de kleine uurtjes. 'Je krijgt op zo'n avond maar één keer de kans voor een echte solo, dus dan is het mijn show.'

Het begint zo achteloos. In hartje Jutland op het monumentale landgoed Skarrildhus, trainingscentrum van de Deense onderwijzers, verzamelen zich op 5 juli twintig Europese jazzmuzikanten uit zeventien verschillende landen. Een afgelegener plek is nauwelijks denkbaar. De enige levende wezens in de wijde omtrek, tussen de eindeloze velden met koren en kartofler, zijn een honderdtal koeien.

Op een snikhete donderdagavond barst de muziek los. Veel koper waait door de openstaande deuren naar buiten. Alle leden van het European Jazz Youth Orchestra (ejyo) hebben de partituren al een paar weken in huis. Maar nu zitten ze voor het eerst bijeen. Elkaars namen kennen ze nog niet, maar zodra de Nederlandse componist en dirigent Benjamin Herman heeft afgeteld, spelen ze samen alsof ze nooit anders hebben gedaan. De Hongaarse bongospeler Kornel Magyoro trommelt er meteen op los, de Finse leadsaxofonist Petri Puolitaival soleert cool, ondersteund door de Zwitserse drummer Rafael Woll.

'Niet slecht voor een eerste read through', zegt Herman na de vertolking van zijn compositie Catatonics, opgedragen aan 'mijn meisje'. 'Deze gasten kunnen lezen als de raven, maar ze zitten chops te sparen, oftewel, ze houden zich nu nog in', zegt Wouter Turkenburg, toehoorder en medebestuurslid van het jazzproject.

Maar dat is allemaal professionele bescheidenheid. Opeens swingt Jutland.

Drie dagen hebben ze hier om te repeteren en die worden tot in de kleine uurtjes benut. Iets anders is ook nauwelijks mogelijk. Want het mogen dan serieuze muzikanten zijn, breng jazzmusici nooit in verlei- ding, is de filosofie achter dit muzikale trainingskamp. Geen minibar en geen tv op de kamer. Geen café in de buurt. Zelfs de gsm-toestelletjes zijn hier buiten bereik van elke zendmast.

Stipt om negen uur 's ochtends zit het gezelschap klaar. Herman begint meestal met 'een kleine plechtigheid'. Hij draait bijvoorbeeld een tape van saxofonist Eddie Harris - Listen here - om te demonstreren dat je ook zonder één bebop-line kunt swingen. Dat je in een solo niet noodzakelijkerwijs al je technische vaardigheden hoeft te demonstreren maar soms ook met een simpel muzikaal patroon kan volstaan. De repetities duren minimaal vijftien uur per dag. Alleen voor het eten of een rondootje voetbal wordt het werk onderbroken. Pas ver na middernacht rollen de muzikanten hun bed in.

Restjes banket

Na drie dagen repeteren en een try-out op zondagmiddag op het marktplein van Herning in Jutland - die matig wordt bezocht op een groep uitzinnige 15-jarige meisjes na - beginnen de muzikanten te mijmeren over wat komen gaat. De gig op het North Sea Jazz Festival, dat moet voor de meesten het artistieke hoogtepunt worden.

Den Haag is trouwens toch in veel opzichten een aantrekkelijk podium, vertelt bandleider Benjamin Herman de muzikanten. 'North Sea staat bekend om de aanwezigheid van de mooiste vrouwen', zegt hij. Na het Kanaal is het snel afgelopen met de pret. 'In Engeland zijn de vrouwen bleekjes en in Schotland wordt het nog erger. Daar hebben de vrouwen door het vele zuipen een bierbuik', gruwelt Herman.

In de tot cultuurcentrum omgebouwde treinremise van Brande speelt de big band op maandagavond zijn debuutconcert. De zaal is gevuld met de Deense culturele elite, sponsors en bestuurders. Aan het officiële banket na afloop kunnen de muzikanten pas aanschuiven als ze het podium hebben ontruimd en de instrumenten en apparatuur weer in de bus liggen. Op de grote zilveren schalen in de eetzaal liggen alleen nog de restanten van wat een vorstelijk buffet moet zijn geweest. De musici redden wat er te redden valt en werken zonder mopperen de restjes naar binnen. Hun biertjes moeten ze zelf tappen, omdat de obers al bezig zijn de tafels af te ruimen.

Een dag later loopt het grootste deel van de band door Christiania, een pretpark voor hippies in een vrijgemaakt stukje Kopenhagen. Het is één grote coffeeshop. Al snel loopt bijna iedereen blowend rond. Alleen Idan Wallish slaat resoluut elk jointje af. 'Ik heb te veel mensen zien bezwijken aan de drugs', zegt hij beslist.

Bass-trombonist Wallish (27 jaar) uit Ra'anana in Israël heeft van de bandleden het meest indrukwekkende curriculum vitae. Op zijn twintigste formeerde hij een orkest dat door de nationale pers tot de Israëlische Super Band werd omgedoopt. Hij studeerde summa cum laude af aan het Berklee College of Music in Boston en werkte twee jaar lang als hoofd van de jazzafdeling van de grootste onafhankelijke platenmaatschappij in Israël. En dat is maar een greep uit zijn bezigheden. 'Ik wil graag veel leren', zegt Wallish. De eerste avond in Jutland komt hij te laat op de repetitie, omdat hij die dag in Tel Aviv examen moest doen om zijn studie business-administration af te ronden.

Krullebol Wallish beweegt zich enigszins teruggetrokken in het gezelschap. De blik is vriendelijk maar licht achterdochtig. Verwacht van Wallish geen romantische bespiegelingen over het aangename, kleurrijke leven van de muzikant. Muziek is vooral hard werken. 'Het is vijf procent talent en de rest is oefenen en de juiste mensen ontmoeten.'

Natuurlijk, muziek is het mooiste dat hem is overkomen in het leven. Vooral de jazz, want dat staat voor vrijheid van expressie en improvisatie. Maar je kunt niet je hele leven maar één ding doen. 'Dan raak ik verveeld', zegt Wallish. Een docent op Berklee zei eens tegen hem: 'Als je een andere optie hebt in het leven dan het maken van muziek, doe dat dan vooral.' Dat heeft hij in zijn oren geknoopt.

'Muziek is goed voor je ziel, maar er komt een punt in het leven dat dit niet genoeg is. In Israël kun je als jazzmuzikant hooguit overleven en dat is te weinig. Ik hoef niet rijk te worden, maar ik wil comfortabel leven. Niet tegen elke prijs muziek maken.'

Naarmate de trip vordert, maakt Wallish zich steeds meer zorgen over zijn gezondheid. Hij droomt hardop van de sportclub waar hij zijn naar eigen zeggen verontrustend zwellende buikje kwijt wil raken. Hij krijgt steeds diepere wallen onder zijn ogen. 'Ik kan niet slapen bij daglicht', klaagt hij. Daar helpen geen gordijnen tegen.

Toch geniet Wallish volop van het avontuur met zijn medebandleden. Hij prijst bandleider Herman die de rol van schoolmeester prima weet te combineren met die van sociale gangmaker. 'En de muziek is prima. Het is leuk om te zien hoe enthousiast het publiek steeds reageert. Het is heel dansbaar, apart.'

Volgens Wallish bestaat er inderdaad zoiets als Europese jazz. 'In Amerika is jazz vooral hang out-muziek. Het publiek moet lol hebben, iets kunnen drinken en erbij praten. Europese jazz is onderhoudender en staat meer open voor andere invloeden. Het is minder commercieel.'

Wallish is de enige die tijdens de reis een keer een politieke kwestie aan de orde stelt.

In een Chinees restaurant in Glasgow biecht hij bij het nuttigen van de kippensoep op dat hij op Sharon heeft gestemd. 'Dat had ik een jaar daarvoor niet voor mogelijk gehouden, maar er is in Israël geen andere keus zolang de Palestijnen oproepen ons te vermoorden.' Maar Sharon is een monster, roepen zijn tafelgenoten. Als Wallish verzucht dat het de eerste honderd jaar nog wel oorlog zal zijn in zijn land, verstomt het debat.

Klemvast

Na een openluchtoptreden in het centrum van Brussel komt de Europese jazzbus een week na het eerste optreden aan bij het Haagse Congrescentrum. De muzikanten wringen zich met hun apparatuur tussen de bezoekers van het North Sea Jazz Festival door naar de Escherzaal. Het grootste festival biedt hun het kleinste podium. Te klein, meent Turkenburg, die een van de vier programma-adviseurs van North Sea is. Vanuit de coulissen kijkt hij hoofdschuddend toe hoe elke vierkante centimeter moet worden benut om alles en iedereen een plaats te geven. Trompettist Birkir Freyr Matthiasson uit IJsland speelt met zijn hoofd klemvast tegen het plafond en dirigent Herman weet dat hij bij elke onverhoedse beweging een gerede kans maakt van het podium te donderen. 'De organisatie snapt de importantie van dit project niet. Ze denken: ach gut, weer zo'n studentenbandje', moppert Turkenburg.

'Eindelijk onder doorgewinterde jazzfans', begroet Herman de paar honderd bezoekers. De zaal is afgeladen. Behalve dat de elektronische piano in het begin door zijn hoeven zakt, verloopt het optreden vlekkeloos. Iedereen speelt net iets scherper en met meer bravoure dan anders. 'Wij zijn anders dan de orkesten van Count Basie of Duke Ellington. Wij zijn de enige big band ter wereld die drum 'n bass speelt', zegt Herman. Hij doelt op de eigentijdse, snelle, dansbare beats in zijn compositie Cosmic Echoes. Het publiek geeft de band na afloop een ovatie.

Big Cats

De Franse trompettist Raynald Colom (23 ) is de enige die zich later op die avond durft te mengen in de roemruchte nachtelijke jamsessie van het North Sea in het Bel Air-hotel. Hij speelt onverschrokken met muzikanten als trompettist Roy Hargrove en saxofonist James Carter. 'Big cats', noemt Raynald ze. Hij gaat zo op in zijn spel dat hij om zes uur in de ochtend rechtstreeks van het podium naar de bus moet rennen die naar Engeland vertrekt.

Zestien jaar oud was Raynald toen hij op een ochtend vanuit school zijn ouders opbelde. Of ze zo vriendelijk wilden zijn met hem te dineren in een restaurant. Die avond zei Raynald dat hij met school zou stoppen om definitief en volledig voor de muziek te leven. 'Een jazzmuzikant moet een goed verhaal vertellen. Dat kun je niet als je je hele leven in een klaslokaal doorbrengt. Om iets te kunnen mededelen, moet je geleefd hebben en dat doe ik dus', is zijn credo. 'Jazzscholen hebben nog nooit een goede muzikant voortgebracht.'

In de brochure van Swinging Europe staat Colom als enige afgebeeld met een stropdas, maar die foto moet lang geleden zijn gemaakt. Hij heeft nu een pluizig sikje, draagt steeds een t-shirt en ziet er bleekjes uit. Met de drie andere trompettisten zakt hij iedere nacht door, waardoor het ontbijt zelden meer omvat dan een paar filtersigaretten. Als ze betrapt worden bij het naar de repetitieruimte smokkelen van blikjes bier, zeggen ze: 'Wij zijn nou eenmaal de trompetsectie.'

Colom komt uit een muzikaal nest. Als kleuter viel hij menige avond in slaap op de banken van de Parijse jazzclub Le Petit Journal waar zijn vader saxofoon speelde. Zijn moeder is tourmanager. Toen hij vier was, speelde hij viool, op zijn achtste ruilde hij die in voor een trompet, 'omdat die zo mooi blonk'.

Als Raynald gaat soleren, gebeurt er iets in de zaal. Hij kan zijn trompet zo laten spetteren dat iedereen rechtop gaat zitten. 'Je krijgt op zo'n avond maar één keer de kans voor een echte solo, dus dan is het mijn show. Dan wil ik er echt staan.'

Colom, die sinds zijn negende in Barcelona woont, reisde vorig jaar met bandleider Manu Chao - die etno-punk speelt, een combinatie van salsa, ska, merengue en reggae - door Zuid-Amerika, Mexico en de Verenigde Staten. De eerste avond stond hij in Bogot te spelen op het Rock al Parke-festival voor 75.000 mensen. 'Zo'n meute is als een wild beest. Dat moet je bij de ballen grijpen om het te temmen. Er komt zoveel energie vrij.'

Raynald leidde het leven van een popster compleet met groupies die je tot je hotelkamer achtervolgen. Hij had alleen niet zo veel op met de politieke statements van Chao die zich nogal nadrukkelijk uitspreekt tegen globalisering en voor solidariteit met de onderdrukten. 'Dat vind ik nogal gratuit als je jaarlijks wereldwijd een paar miljoen cd's verkoopt.'

Deze zomer kon Raynald met Manu Chao in Europa op tournee, maar hij verkoos een plekje in de band van Herman. In plaats van een honorarium van zo'n 25.000 dollar ontvangt hij 3.500 gulden aan zakgeld dat de Europese muzikanten aan het begin van de tournee plechtig kregen uitgereikt. Hij heeft er geen seconde spijt van. 'Nu leer ik mijn Europese collega's kennen en bouw ik een interessante vriendenkring op. Het gaat hier vooral om de muziek en dat vind ik eigenlijk toch het leukste.'

In Londen speelt het orkest zes avonden op dezelfde plek. Een verademing voor de muzikanten die hun koffers nog niet één keer behoorlijk hebben kunnen uitpakken. Ronnie Scott's is de beroemdste jazzclub van Europa. Al veertig jaar lang zijn hier iedere avond live optredens. Na betaling van een kleine 75 gulden mag je binnen in een nogal donker hol. Het ruikt naar patat, aan het plafond hangen schemerlampjes en op tafel liggen rood-wit geblokte boerenkleedjes.

'Net een poffertjeskraam', zegt componist en pianist Willem Friede die vanuit Amsterdam een avondje is komen buurten om te horen hoe de band zijn composities vertolkt. Dirigent Benjamin Herman stelt zich voor aan het ruim opgekomen publiek -veel toeristen - als de vertegenwoordiger van Nederland. 'Ik kom uit Amsterdam, dus ik voorzie de band van drugs', zegt Herman en daar moeten ze in Londen heel hard om lachen.

Het is een grapje dat Benjamin Herman de rest van de tournee niet meer durft te maken. Want zo jeugdig als de bandleden zijn - en zo cool met hun onafscheidelijke zonnebrillen, kettingen, een vishoedje of gelakte nagels - zo bejaard is vaak het publiek. De oud-mijnwerkers en katoenspinsters in Wigan of de betere Waalse burgerij in Charleroi - ze kunnen de grootouders van de bandleden zijn.

De band moet ook nogal eens opdraven als Europees cultureel vlaggenschip. En dat is niet altijd leuk. Het aangekondigde concert in de majestueuze Royal Concert Hall in Glasgow blijkt bij aankomst een optredentje in het restaurant van het theater. Daar worden ze geacht een groepje politici, sponsors en journalisten te vermaken die worden ingelicht over de plannen van Glasgow om vanaf volgend jaar een eigen Europees jeugd-jazzfestival te beginnen. Als de musici even later, na wat drankjes, een spontane jamsessie beginnen, krijgen ze te horen dat ze moeten inpakken, omdat het restaurant gaat sluiten.

Laatbloeier

'Het steekt wel eens, als je ziet dat de gemiddelde leeftijd van het publiek de zestig jaar te boven gaat', zegt de Duitse gitarist Christian Suter (31). Maar echt mopperen doet niemand. Het gaat tenslotte om de muziek. Suter is een laatbloeier. Na een afgebroken studie cultuurgeschiedenis, ging hij vier jaar geleden aan het conservatorium in Hilversum, later in Amsterdam, elektrische gitaar studeren. Hij kwam af op de internationale reputatie van gitaardocenten als Jesse van Ruller en Maarten van der Grinten. Ook de Oostenrijkse trompettist Daniel Nösig studeert in Nederland, aan het conservatorium van Den Haag. Het is geen toeval. Ongeveer de helft van de tweehonderd leerlingen die jaarlijks afstuderen aan een van de elf conservatoria in Nederland met een jazzopleiding, komt uit het buitenland.

Op een enkel gouden oorknopje in de linkeroorlel na heeft de bescheiden en goed Nederlands sprekende Suter niets van de glamour en het kattekwaad van veel van de muzikanten in de band. Hij is er bijvoorbeeld niet bij als veel van zijn mannelijke collega's op een middernachtelijke ontvangst in de woning van de Finse ambassadeur in Dublin in de sauna kruipen.

Voor Christian is er meer dan alleen jazzmuziek. Hij luistert bijvoorbeeld net zo graag naar de Amerikaanse popmuziek van Steelye Dan. Hij speelt zijn solo's een beetje verscholen tussen de pianist en bassist, met zijn blik naar de grond, maar hij geniet van de tournee. Suter heeft weleens met een Duitse big band door Israël gereisd, maar dat waren maar zes concerten in twee weken. 'Dit is totaal uitputtend. Er zitten types tussen die de hele dag feest willen maken, maar daar hoor ik niet bij', zegt hij. 'Ik zou af en toe weleens alleen willen zijn.'

Christian heeft deze zomer zijn studie afgerond. Hij gaat nu drie dagen in de week muzieklessen geven in Noord-Duitsland, maar voor het overige is de toekomst ongewis. Het liefst wil hij een eigen band samenstellen en een cd opnemen.

'Ik heb in ieder geval geen zin om voor dronken lui top-40 nummertjes te gaan spelen of bruiloften op te leuken, ook al worden die in Duitsland zeer goed betaald met zo'n 500 mark per avond.'

Rijdende slaapkamer

Door het afmattende reisschema en de vroege sluitingstijden van kroegen in Groot-Brittannië is er niet veel ruimte voor nachtelijk vertier. Meestal hokken de bandleden samen in een van de hotelkamers. Daar drinken ze lauw Deens bier uit de bus en snoepen ze van de voorraad hasj die ze op de meeste plaatsen moeiteloos hebben weten te scoren.

Maar 's ochtends zit iedereen doorgaans weer op tijd in de bus. Die jazzbus is voor de muzikanten een grote rijdende slaapkamer en de plek om, nogal gewelddadige, video's te bekijken. Kort na vertrek bespreekt Erik Moseholm de successen en de missers van het laatste optreden. Daarna wordt het stil.

Zelf is de artistiek directeur onvermoeibaar. Hij zit voorin aan een tafeltje te tikken op zijn hippe oranje personal computer, belt met zijn mobieltje of leest uit het tot op de draad versleten sprookjesboek van Hans Christian Andersen, waar zijn moeder hem in de jaren '30 nog uit voorlas.

In zijn t-shirtje en met zijn lange grijze paardenstaart oogt Moseholm een stuk jonger dan 71. Hij heeft al een lang jazzleven achter zich. In 1960 werd hij op het jazzfestival in Juan-Les-Pins verkozen tot beste Europese bassist. Een jaar later werd hij door de twee jaar oudere en toen al legendarische Amerikaanse altsaxofonist Eric Dolphy gevraagd voor concerten in Kopenhagen. Daar zijn twee platen van verschenen die Moseholm tijdens de tournee nog voor fans moet signeren.

Moseholm woont alle concerten bij. Na elke solo begint hij aanstekelijk te applaudisseren om er zeker van te zijn dat het publiek iedere muzikant bijtijds in het zonnetje zet. Dit najaar is hij trouwens begonnen aan zijn eigen tournee. Hij trekt met zijn derde echtgenote Vigga Bro (64), professioneel verhalenvertelster, langs theaters door heel Denemarken om te vertellen hoe het is om oud te zijn.

De muzikanten dragen de beminnelijke Moseholm op handen. Ze hangen ontroerd aan zijn lippen als hij vertelt over zijn contacten met legendarische jazzmuzikanten als Miles Davis of Oscar Pettiford. Ook tussen de muzikanten blijft de sfeer de hele reis opmerkelijk goed. Benjamin Herman heeft in het begin alleen wat moeite met het oudste lid van de band, de 34-jarige Deense Birgit Løkke Larsen. Hij vindt dat zij zich tijdens de repetities nogal eens te veel laat gaan en de partituur vergeet.

Landschap van geluid

Birgit is beeldhouwster, schilder, schermster (sabel), componiste, insecten- en amfibieëndeskundige - ze heeft twee slangen in haar flatje in Kopenhagen - maar bovenal is ze percussioniste. Op het podium neemt ze de meeste ruimte in beslag met haar trommeltjes, dekseltjes en rammelaars. En soms is zelfs dat niet genoeg materiaal voor de ritmische begeleiding. Dan rent Birgit midden in haar solo opeens naar de piano en trekt aan de snaren. Soms soleert ze door dicht bij de microfoon met twee handen haar lippen te laten wapperen. Steeds anders en steeds gewaagd. En even later zit ze weer doodgemoedereerd in de bus, stilletjes, rollend met haar enorme ogen. Alsof er niets is gebeurd.

'Ik laat me erg door de ruimte en het publiek inspireren. Ik wil steeds nieuwe dingen proberen, reageren op de atmosfeer. Ik bouw een landschap van geluid', zegt Birgit. Ze drumt sinds haar kleutertijd. Het begon in het bos bij haar woonplaats Liseleje. Met takken bespeelde ze daar boomstronken. Nog steeds is de natuur haar belangrijkste inspiratiebron. Haar laatste compositie is opgedragen aan het ongedierte dat afgelopen mei rond haar tent kroop tijdens een trekvakantie in Zweden. Insecten, heet het nogal modern klinkende werkstuk.

Birgit, die onder andere in de Scandinavische vrouwen-big band April Light Orchestra speelt, heeft genoeg werk om handen. Ze is er bovendien het type niet naar om veel na te denken over wat er komen gaat. 'Ik leef nu. Overleven is geen kwestie. Ik heb een klein flatje en ik heb niet veel nodig. Ik ben vrij te doen wat ik wil en word niet gedwongen iets te produceren om bijvoorbeeld mijn huur te kunnen betalen', zegt Birgit die zelfs in de bus nog oefent op een klein trommeltje.

De percussioniste, de enige die iedere dag een nieuwe garderobe uit haar koffer weet op te duiken (een rode broek met veel te veel ritsen, een blauwe met overal rafels of een pantalon in slangenmotief), is zo geconcentreerd bezig met haar werk dat ze er door anderen op moet worden geattendeerd dat ze jarig is. Als haar vriend haar in Londen opzoekt, durft ze niet met hem naar de musea te gaan. 'Ik ben bang dat dit zoveel energie opslurpt dat ik 's avonds doodmoe ben', zegt ze. Soms probeert ze dubbelgevouwen over twee stoelen in de bus te slapen, maar dat vlot niet erg. Bovendien is haar stoel naast het chemisch toilet waar, naarmate de reis vordert, zulke onbestemde luchten uit komen dat de muzikanten hun project inmiddels Stinking Europe noemen.

Nachtclub in de brand

Aan het eind van de trip dreigt de jazzbus door oververmoeidheid enigszins piepend de finish te gaan halen. Maar Ierland brengt redding. In Dublin en vooral in het Noord-Ierse Belfast gaat het publiek mede dankzij stuntwerk van het Ierse bandlid tenorsaxofonist Derek O'Connor uit zijn dak. In het Lyric Theater in Belfast wordt de band door de 300 koppen tellende uitzinnige meute voor het eerst gedwongen een toegift te spelen.

Als de band tegen middernacht het hotel bereikt, is iedereen zo opgewonden dat men met het instrument onder de arm meteen het nachtleven opzoekt. In het trendy café The Northern Whig spelen Benjamin Herman en Raynald Colom even later met een plaatselijk bandje.

In de straten hangt een rooklucht, omdat een nachtclub in de brand staat. Even verderop zijn jongens bezig met brandbommen een religieus geschil te beslechten.

Een chauffeur kan ternauwernood zijn bus aan de kant van de weg zetten, nadat de voorruit van zijn voertuig is bezweken onder een regen van stenen. Binnen jammen de muzikanten onverstoorbaar door. Ze spelen een extra exotische uitvoering van Herbie Hancock's Cantaloupe Island. M

Marcel Haenen is redacteur van NRC Handelsblad.

Dirk Buwalda is freelance fotograaf.