De dienstbode

,,De hele week loop ik in het zwart met een wit schortje. Maar vandaag niet. Dit is mijn vrije dag''.

Ze tolt om haar as en toont me haar zondagse jurk. De vonken vliegen er af. Op zwart na zitten alle kleuren erin. Teresa is dienstbode bij een grootgrondbezitter in het zuiden van Argentinië. Ze is intern. Samen met twee andere bodes en een huisknecht bewoont ze de personeelsvertrekken achter het hoofdhuis. De rest van het personeel, zo'n dertig schapenhoeders, zien ze bijna nooit. Die slapen bij hun kuddes en moeten niets van huizen hebben.

De lengte van haar werkdag wordt bepaald door haar baas. Als iemand vroeg op moet, moet zij ook op; wordt het laat, dan moet ze wachten tot de laatste naar bed gaat. Door de bank genomen staat ze om zes uur op en gaat ze rond tien uur na de avondafwas naar bed.

Haar werkzaamheden richten zich vooral op de twee jongens van zeven en negen. Ze ruimt hun kamers op, wast en strijkt hun kleren, speelt met ze, maakt ze klaar voor school en zorgt dat ze er altijd picobello uitzien. Daarnaast doet ze elke dag samen met haar collega's ook een aantal klussen voor de hele familie, zoals het ontbijt, de lunch en het avondeten.

Het moeilijkste deel van haar werk zijn recepties en feestjes. Dan zijn haar baas en bazin heel gespannen en moet ze alle zeilen bijzetten. Meestal moet ze met hapjes en drank rond. Vooral als het laat wordt en veel gasten teut raken, ontstaan er vaak problemen. De een vindt de wijn opeens naar kurk smaken, de andere wil per se een bepaalde whisky waarvoor ze naar de kelder moet, een derde begint aan haar te plukken... ,,Toestanden, toestanden, toestanden''. Ze schudt meewarig haar hoofd.

Het ergste zijn de mannen die straalbezopen worden. Sommigen worden onbeschoft – `ach, het is toch maar een dienstbode' – en menen zich van alles te kunnen permitteren. Meestal redt ze zich er wel uit. Maar laatst werd iemand zo handtastelijk dat ze de hulp van haar baas heeft moeten inroepen. Gelukkig liep het goed af en heeft ze er niets meer van gehoord. Met haar baas heeft ze sowieso geluk. Hij heeft haar in al die jaren nog nooit met een vinger aangeraakt. ,,Afkloppen''.

Enkele bodes die ze kent, zijn minder fortuinlijk. Hun bazen denken dat ze privé-eigendom zijn en dat ze met hen kunnen doen wat ze willen.

Ze zit nu drie jaar in het dienstbodevak. Sinds haar twaalfde, toen ze als leerling begon. Op school is ze nooit geweest. In het junglegebied waar ze vandaan komt, zijn nauwelijks scholen en als ze er al zijn, zijn ze er meestal alleen voor mensen met geld.

Haar ouders, broers en zussen ziet ze twee weken per jaar als ze op vakantie mag. Dat zijn hoogtijdagen. Elk uur telt en de tijd vliegt om. Vooral het afscheid valt haar zwaar en het liefst zou ze nooit meer teruggaan. Weg van al dat rijkeluisgedoe, die kouwe kak en die verwende snotjongens. Maar ze moet wel terug. Ze kunnen het geld niet missen. Met kerst en nieuwjaar mist ze haar familie het meest. Dan ligt ze soms urenlang te grienen van eenzaamheid. En opbellen kan niet. In het dorp is geen telefoon. Een paar keer heeft ze nog een telegram gestuurd, maar die kwamen nooit aan.

Ze verdient normaal 100 dollar per maand, inclusief kost en inwoning. Bijna alles gaat naar haar ouders. Zelf heeft ze niet veel nodig. Haar droom is om kapster te worden en daarna een gezin te stichten.

Maar voorlopig zit dat er niet in. ,,En misschien wel nooit''. Ze haalt berustend haar schouders op en begint voor zich uit te staren.

Haar bus stopt. Ze moet weer terug. Bij het instappen kijkt ze nog een keer om en pinkt een traan weg.

,,Ga met God, buitenlander''.