Consumeren is niet de juiste vorm van patriottisme

Hoe begrijpelijk de aansporing van president Bush tot consumeren en beleggen ook is, de Amerikaanse consument zal hier geen gevolg aan geven. De verslechterde financiële situatie van de burger laat dit niet toe, meent Robert Reich.

We staan aan het begin van een nieuwe vorm van patriottisme. Er gaan steeds meer stemmen op die zeggen dat het kopen van aandelen en producten de beste manier is om te laten zien dat Amerika zich niet laat intimideren door terroristische acties. President Bush heeft zijn landgenoten gevraagd om ,,hun blijvende steun aan en vertrouwen in de Amerikaanse economie.'' Vice-president Cheney hoopte dat de Amerikanen ,,een lange neus trekken naar de terroristen en zich niet van hun normale economische activiteiten laten afleiden door alles wat er is gebeurd.''

Noem het maar marktpatriottisme en de bedoeling ervan is dat we de rest van de wereld onze vastberadenheid tonen door net zoveel te investeren en te consumeren als vroeger, maar liefst meer. De terroristen hebben geprobeerd het Amerikaanse kapitalisme in zijn hart te treffen. Wij laten zien dat het Amerikaanse kapitalisme springlevend is door het zoveel mogelijk krediet te geven. Maar bestedingen zijn een merkwaardige vorm van vaderlandslievendheid, want meestal houdt patriottisme juist een oproep in tot een offer ten behoeve van het vaderland. En wanneer vrijwillige beperkingen niet helpen, gaat de overheid over tot rantsoenering.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg elke Amerikaan precies viereneenhalf ons suiker per week, een gezin had recht op ruim tien liter benzine en een bescheiden hoeveelheid vlees, huisbrandolie, koffie en sigaretten. Na 1942 kon je geen nieuwe auto meer kopen omdat de autofabrikanten militaire voertuigen maakten. Zijden kousen waren nergens te koop, behalve misschien op de zwarte markt. Zelfs whisky verdween van de schappen toen de distilleerderijen overgingen op de productie van fabrieksalcohol. Tegelijkertijd werd de consument op het hart gedrukt blik, oud ijzer, papier en autobanden te sparen.

Miljoenen huisvrouwen ondertekenden zelfs een Overwinningsbelofte van de Consument: ,,Als consument zal ik ter verdediging van de democratie met zorg inkopen. Ik zal zuinig zijn op de spullen die ik heb. Ik zal niets verspillen.''

Maar nu lijkt het onze patriottische plicht in de strijd tegen de terroristen om meer te kopen en minder te bewaren, om de kooplust van de laatste jaren niet te bedwingen. Het verschil is natuurlijk dat een totale oorlogsmobilisatie veel eist van de productiecapaciteit van een land. De oorlogsinspanning komt eerst, de behoeften van de consument komen op de tweede plaats. En we hebben niet te maken met een totale oorlogsmobilisatie.

Het valt te hopen dat het ook niet zover zal komen. Amerika beschikt op dit moment zelfs over veel ongebruikte productiecapaciteit, en dat is op zichzelf al een probleem. Het grootste economische gevaar is niet dat we niet genoeg kunnen produceren om in alle behoeften te voorzien, maar dat er misschien lang niet genoeg vraag is naar wat we kunnen produceren. En aangezien de totale economische activiteit voor tweederde bestaat uit consumentenuitgaven, zou terughoudendheid bij de consument tot grote problemen kunnen leiden, zoals al te zien was bij de luchtvaartmaatschappijen. Men vreest dat de Amerikaanse consument de broekriem zal aanhalen vanwege de gruwelen van 11 september en uit angst voor nieuwe narigheid.

Sinds het begin van de economische terugval, vorig jaar, is het van essentieel belang het vertrouwen van de consument te behouden, want die heeft de Amerikaanse economie min of meer in zijn eentje draaiende gehouden. Bedrijven kopen al niet veel meer. Die hebben eind jaren negentig te veel uitgegeven, voornamelijk aan kapitaalgoederen en software, en zijn vorig jaar bij de eerste tekenen dat er zwaar weer op komst was, gaan besparen. De eerste klappen zijn gevallen in de technologiesector, maar nu de winsten blijven dalen, zijn alle vormen van kapitaalinvesteringen gekelderd. De overheid springt niet in de bres. Zolang de federale overheid een budgetoverschot heeft, komt meer binnen dan wordt uitgegeven. De vraag wordt niet gestimuleerd, maar juist beperkt.

De Amerikaanse consument vormt dus zo ongeveer het enige lichtpuntje in de mondiale kapitalistische duisternis. Als de consumenten minder gaan kopen, valt de basis van de economie weg. Als dat gebeurt, zal het moeilijker worden een oorlog tegen het terrorisme te beginnen. Niet economisch moeilijker - we zouden nog meer productiecapaciteit over hebben, plus een massa werklozen die te werk gesteld zouden kunnen worden om van alles en nog wat te maken dat ook maar enigszins met oorlogvoering van doen heeft - maar wel moeilijker in politiek en psychologisch opzicht. Een sterkere economische terugval zou het land, dat toch al van slag is, nog verder uit zijn evenwicht brengen.

De aansporing om te investeren en te consumeren is volkomen begrijpelijk. Toch zijn de Amerikanen niet in staat te doen wat hun gevraagd wordt. Ook vóór de terroristische aanslagen naderden de cijfers van het particuliere sparen het diepste punt van de laatste zeventig jaar, en de particuliere schulden stonden op recordniveau. De hypotheekschulden waren torenhoog. Miljoenen consumenten begonnen de afgelopen maanden al van de rand van de afgrond terug te deinzen. In juni betaalden ze 1,8 miljard aan schuld terug en in juli werden geen leningen meer afgesloten – de grootste schuldendaling in een periode van twee maanden van de afgelopen negen jaar.

De consumenten maken zich, begrijpelijk ook ongerust over hun salaris.In augustus is het aantal werknemers buiten de agrarische sector met 113.000 gedaald en het werkloosheidscijfer is met 4,9 procent gegroeid. Door de golf ontslagaankondigingen van de afgelopen maanden is de bezorgdheid toegenomen en de meer dan honderdduizend ontslagen die recentelijk werden aangekondigd, maken het er niet beter op.

Hoe hard er ook op aan wordt gedrongen uit vaderlandslievende overwegingen in aandelen te beleggen, de trieste waarheid is dat de modale Amerikanen zich in de periode 1997 tot 2000, toen het allemaal niet opkon, op de effectenmarkt hebben gestort en daar nu een hoge tol voor moeten betalen. Hun forse uitgaven na 1997 werden voor een deel ingegeven door de snelgroeiende waarde van hun aandelenportefeuilles. Ze dachten dat ze een stevige appel voor de dorst hadden, maar merkten dit jaar dat hun appels windeieren waren.

Vlak voor de aanval van de terroristen was het voor de meeste gezinnen het verstandigst om hun uitgavenpatroon enigszins te beperken, schulden af te lossen en meer spaargeld in obligaties te beleggen. Na de aanslag is dat nogsteeds het verstandigst. Geld uitgeven is niet patriottisch, en je gezin in onverantwoorde financiële gevaren brengen is niet heldhaftig.

De massamoord op duizenden Amerikanen inspireert niet direct tot een uitstapje naar het winkelcentrum of tot optimistische verwachtingen over de toekomstige prijs van effecten. Maar een oproep tot patriottisme zal waarschijnlijk weinig effect hebben op gezinnen die toch al aan hun financiële grenzen zitten. De regering zou het vertrouwen veel beter kunnen stimuleren als ze de mensen meer geld zou geven. Aangezien tachtig procent van de gezinnen meer betalen aan loonbelasting dan aan inkomstenbelasting, ligt het voor de hand de loonbelasting te verlagen, althans tijdelijk. Een alternatief is meer mensen die in deze tegenvallende economie hun baan verliezen, onder de werkloosheidsverzekering te laten vallen. Op dit moment is slechts veertig procent van degenen die werkloos raken, gedekt.

Als de politieke leiders marktpatriottisme willen zien, dan vormen bedrijven die op het punt staan een nieuwe ronde van massaontslagen aan te kondigen, een beter doelwit. Meer ontslagen zullen het vertrouwen van de consument alleen maar verder ondermijnen. Bedrijven moet gevraagd worden, als het enigszins mogelijk is, ten minste het komende halfjaar geen werknemers te ontslaan. Een betere manier om te laten zien dat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten en om onze vaderlandslievendheid te tonen is er niet.

Robert B. Reich was onder president Clinton van 1993 tot 1997 minister van Arbeid en is thans hoogleraar sociaal-economische politiek aan de Brandeis Universiteit.

© LAT WP Newsservice