Bij moord op onschuldigen dooft het licht

De zelfmoordacties op het World Trade Center in New York en het Pentagon in Washington hebben niets met moslimmartelaarschap te maken. Ze geven vooral blijk van een volledig gebrek aan respect voor het leven, meent de islamitische schrijver Ziauddin Sardar.

Men vraagt mij, als islamitische auteur, hoe terroristen denken en wat hen drijft; men wil een islamitische verklaring voor de daden van de kapers. Mijn buurman wil weten wie die moslim is die zoiets afschuwelijks doet. Men denkt dat ik kan beredeneren waarom iemand met een zelfmoordactie een massamoord pleegt en dat ik het kwaad kan verklaren.

Dan zeg ik wat in de koran staat: ,,Ook al heft u uw hand op om mij te doden, dan zal ik mijn hand nog niet opheffen om u te doden. Ik vrees Allah, de God van de Wereld.'' Dan parafraseer ik de woorden van de profeet Mohammed: wie één onschuldige vermoordt, vermoordt als het ware de hele mensheid. Dan zeg ik dat de profeet het doden van burgers, vrouwen, kinderen, ouden van dagen en zieken, de moedwillige vernietiging van bezit, het verbranden van oogsten en het afslachten van dieren heeft verboden, ook in geval van oorlog.

Men vraagt mij naar het martelaarschap. ,,Verzekeren die kapers zich met hun zelfmoordactie dan niet van een kaartje naar de hemel?'' Islamitische theologie, zeg ik dan, is geen kwestie van koehandel. Niemand, maar dan ook niemand, weet waar hij terechtkomt. Alleen God weet dat. Zelfs Mohammed huilde uit angst misschien geen vergiffenis te krijgen.

Het islamitische principe van het martelaarschap komt tot uiting in de daad van imam Hoessein, de kleinzoon van Mohammed, in oktober van het jaar 680 n. Chr. op het slagveld van Kerbala. Hij hield met een stuk of zeventig volgelingen stand tegen een leger van vierduizend goed uitgeruste soldaten om het recht over het onrecht te laten zegevieren, ook al wist hij heel goed dat hij er het leven bij zou laten. Zijn offer was een onvermijdelijk gevolg van zijn besluit vast te houden aan dat wat ethisch juist is; het was geen gezocht, zelfgekozen, moedwillig offer van iemand die zonder morele of ethische beperkingen handelt. Met hun zelfmoordacties bewijzen kapers hun volledig gebrek aan respect voor het leven van ieder individu in Gods schepping, hetzij van henzelf, hetzij van hun slachtoffers. Ze halen de titel martelaar door het slijk.

In alle religies is martelaarschap het opofferen van bezit, veiligheid en comfort en, als het niet anders kan, het eigen leven ten behoeve van een goede en rechtvaardige zaak. Maar het geloof leert ons ook de grenzen van het menselijk begrip, het leert ons dat over ons allen zal worden geoordeeld en dat de betekenis van onze daden duidelijk zal worden gemaakt door de Meest Genadige, de Alwetende. Het martelaarschap is, net als het leven, een gave en een oordeel van God, niet van mensen. Alleen binnen de beperkingen van het geloof, in de toewijding aan de plichten van het geloof kan iemand hopen de weg naar het paradijs te bewandelen.

Het paradijs van de islam is ook niet een soort bordeel waar de bewoners de gunsten van `zeventig maagden' aangeboden krijgen de onzin die in de pers over die moordzuchtige paradijsgangers wordt geschreven. Het paradijs van de koran is geen plaats van genot, maar van opperste onschuld. De `maagden' of `hoeri's' ontlenen hun naam aan de ogen van de gazelle. Die ogen, de belichaming van schoonheid en onschuld, hebben nooit zonde gezien. De hoeri's in de hof van het paradijs kennen maar één woord: `Vrede, vrede.'

De boodschap van de islam komt erop neer dat het koninkrijk Gods op aarde zoals in de hemel moet worden geschapen. Dat is de eigenlijke betekenis van de jihad. En nu we het er toch over hebben: dat woord alleen al kan `beschaafde' mensen de rillingen over de rug doen lopen en velen onbezonnentot een `heilige oorlog' aanzetten. Maar die martelaars op zoek naar het paradijs hebben toch zeker de jihad uitgeroepen tegen Amerika? Nee, terroristische daden zijn geen jihad. Ze schenden de woorden van God, van Mohammed en van de goed doordachte consensus van alle gelovigen.

De grootste jihad is de oorlog tegen het onrecht in de eigen ziel, het onrecht dat iemand op de gedachte van terreurtactieken kan brengen, waardoor hij alle beheersing en respect voor het heilige menselijk leven verliest. De jihad is de beredeneerde strijd van ieder individu om binnen de grenzen van het ethisch handelen te blijven, om de bescherming van het recht uit te breiden tot ieder menselijk wezen, ongeacht zijn kleur, geloof of geboorteplaats. Jihad is de plicht de vrede te verwezenlijken voor alle mensen.

Dat alles, dat het geloof is van de grote meerderheid der moslims, staat diametraal tegenover het credo van de zelfmoordterroristen. Wij proberen goed te leven in de hoop het paradijs te bereiken. Wij streven naar rechtvaardigheid, opdat ons het paradijs wordt vergund. Wij wandelen ootmoedig met God, zonder ons de goddelijke zekerheid toe te eigenen. Ik parafraseer hier een vers uit het boek Micha (6:8) uit het Oude Testament, het referentiekader van zowel joden, christenen als moslims.

De islam kan de daden van de kapers niet verklaren, zoals het christendom geen verklaring heeft voor de gaskamers. Het zijn ongelooflijke daden, daden die niets met geloof te maken hebben, gepleegd door mensen die het pad van de islam lang geleden hebben verlaten.

Mijn geloof, het islamitische geloof, de rechtvaardigheid die wij zoeken, houdt de plicht in om te streven naar vrijwaring van tirannie, verwaarlozing, armoede, dood en lijden voor iedereen. De rechtvaardigheid die wij zoeken is essentieel voor een menswaardige samenleving met waardigheid en vrijheid voor allen. Die vind je niet door onschuldigen op te blazen in een hel van verwrongen metaal en beton. Wanneer onschuldigen worden vermoord, dooft het licht voor ons allemaal. Wanneer onschuldigen lijden, is hun lijden ons lijden.

Ziauddin Sardar is schrijver. Van zijn hand verscheen onder meer Introducing Muhammad.

© Ziauddin Sardar/The Observer