Als de toeristen gaan vechten tegen de Talibaan...

Het circus is in de stad. Rond twee uur 's middags rijden twaalf terreinwagens vol journalisten het niemandsland tussen Afghanistan en Tadzjikistan binnen. Uit de stofwolken komt een massa schimmetjes ons tegemoet rennen: vuile, zieke en juichende kinderen. Want zo'n konvooi betekent brood, chocolade, bloknootjes, pennen en vertier, dat weten ze inmiddels.

Tot de aanslagen op New York en Washington van 11 september liet de wereld zich weinig gelegen liggen aan de 12.000 haveloze stumpers die al ruim een jaar klem zitten aan de Tadzjiekse grens. Nu is alles anders: hun vijanden – de Talibaan en Osama bin Laden – zijn in staat van oorlog met Amerika en honderden westerse journalisten wachten in de Tadzjiekse hoofdstad Doesjanbe op hun beurt om de Afghaanse grens over te glippen. Pakistan heeft zijn grens gesloten, daar kan de pers slechts de neus tegen het glas drukken. Maar in Tadzjikistan ligt de weg open naar de Noordelijke Alliantie, de coalitie van Tadzjiekse, Oezbeekse en Hazara-mujahedeen die vroeger tegen de Russen, daarna tegen elkaar en nu tegen de Talibaan vechten.

De gasten en hun dollars zijn van harte welkom in Afghanistan. In trucks, vliegtuigjes en antieke Sovjethelikopters – die de afgelopen weken meerdere noodlandingen maakten – worden de journalisten het gebied binnen gebracht. De enige hindernis vormen de wachtlijsten in Doesjanbe. Bijna een maand geleden arriveerde hier de eerste journalist, inmiddels zijn de Tadzjiekse autoriteiten toe aan perskaart nummer 2179. De prijs van de perskaart is tachtig dollar. Bij een eerder bezoek bedelde de ambtenaar die ze verstrekte nog om een stuk worst.

Doesjanbe bevindt zich in een schemerzone. De stad baadt in een melkachtig licht, de Afghanitsj – een zandstorm die soms weken duurt – bedekt alles met een laagje fijn gruis. Het wachten is op de eerste zichtbare zet van de Amerikanen. In afwachting daarvan doen we het met geruchten: over Russische vliegtuigen vol wapens voor de Noordelijke Alliantie (de Russische ambassadeur ontkent) en over de bombardementen die zullen losbarsten zo snel de zandstormen gaan liggen.

In afwachting van ons konvooi naar binnen bezoeken we de mensen die naar buiten willen: Afghaanse Tadzjieken, Oezbeken en Hazara die op de vlucht zijn voor de Talibaan. Niet ver van de grensplaats Dusti strandden ze vorig jaar op enkele eilandjes in de drooggevallen rivier Pandzj. Tadzjikistan laat ze niet binnen, in hun rug dreigen de Talibaan en de Noordelijke Alliantie is ver weg, dus hebben ze tussen het zand en de taaie struikjes hun voddendorpjes gebouwd. De veteranen wonen in lemen hutten met een windkering van riet, de nieuwkomers in kuilen. Er is een schooltje onder een rieten afdak met als schoolbord een deksel van een munitiekist, gestolen van de Talibaan. `Rockets' staat daarop, en `USA'. Twee van die raketgranaten zijn gebruikt om waterputten te slaan.

De eerste vluchtelingen arriveerden ander half jaar geleden aan de grens, dagelijks komen er vijftien tot twintig nieuwe bij. ,,De Talibaan kwamen in ons dorp en zeiden: geef ons jullie wapens. Wij antwoordden dat we geen wapens hadden. Toen dreigden ze ons in de gevangenis te gooien en te martelen', zegt Malawi Abdul Zached, oud-docent aan de polytechnische universiteit van Kabul. Hij wil terug naar zijn dorp. ,,Maar onder de Talibaan mag ik me niet scheren en geen televisie kijken. Zo wil ik niet leven.'

Het nieuws volgen de vluchtelingen via radiootjes. Zo hoorden ze vorige maand dat Osama bin Laden – ,,als we hem vangen, eten we hem op' – iets terroristisch heeft gedaan in Amerika. Wat precies dat weten ze meestal niet, maar ze lachen erom alsof het een ondeugend grapje betrof. Als de toeristen tegen de Talibaan gaan vechten – iedereen noemt Amerikanen hier `toeristen' – dan zijn ze onze vrienden, verklaart automonteur Machmad Doum. Maar over bombardementen is hij pessimistisch. ,,Het arme volk is daarvan altijd de dupe. En wanneer de toeristen ook maar één druppel bloed van onze mensen vergieten, gaan we samen met de Talibaan tegen ze vechten.' De mannen om hem heen ontbloten opnieuw hun gehavende gebitten alsof Doum een hele goede grap vertelt.

Misschien dat westerse hulp Tadzjikistan kan vermurwen, maar voorlopig wil het land geen vluchtelingen toelaten. De voormalige Sovjetrepubliek herstelt van een verwoestende burgeroorlog en zegt na vier jaar van droogte niemand te kunnen voeden. De fragiele vrede staat onder druk door een serie politieke moorden en islamitische opstandelingen – president Rahmonov vreest infiltratie door de Talibaan, die hun versie van de islam naar het lakse Tadzjikistan zouden willen exporteren. Op een heuvelrug boven het kamp zorgen de wachttoren, mijnenvelden en rollen prikkeldraad van de Russische negende brigade dat de vluchtelingen blijven waar ze zijn – het Russische leger bewaakt sinds 1997 de 1.200 kilometer grens met Afghanistan. Verderop in de vlakte liggen de stellingen van de Talibaan. Soms schieten die wat mortiergranaten het kamp in: twee dagen geleden stierven zo twee jonge mannen.

Maar vandaag is het showtime. De camera's rollen, de pers waaiert uit tussen de struiken en hutten. Een schilderachtige Tadzjiek poseert op verzoek onwennig met een radiootje voor het woestijndecor: BB King schalt over de Afghaanse prairie. Een andere cameraman filmt hoe een bejaarde Afghaan thee zet uit modderwater en tracht daarna een doodziek kindje uit een tent te lokken voor een betere belichting. ,,Zullen we de kinderen een liedje laten zingen?' ,,Nee, cliché.'

De mannen – vrouwen zijn nergens te zien – blijken zeer tekstvast. Om consistentie bekommeren ze zich minder. Niemand stuurt ons hulp, klagen ze in koor, terwijl hun kinderen met plastic tasjes en schoolschriften van Unicef rondlopen. We hebben geen wapens, zeggen ze, terwijl we zojuist een open truck met mudjahedeen passeerden en later onder een stofdoek een arsenaal kalasjnikovs en machinegeweren aantreffen. De kleine Machmoud is de ster van de dag: hij doceert de cameralieden dat ,,Mohammed wil dat alle mensen van de wereld samenleven in vrede'.

Maar vrede hebben alleen de bejaarden hier gekend. De realiteit aan de Tadzjiekse grens is er een van voortdurende schermutselingen. ,,Elke nacht gedoe', zegt een Russische soldaat. Soms lokken de vluchtelingen de Talibaan in een hinderlaag: een strijder toont ons trots een motor, een jeep en een Toyota Landcruiser met een bebloede voorbank. ,,Gestolen van de Talibaan', pocht hij. ,,We hebben er wel acht gedood.' En soms schiet de artillerie van de Talibaan erop los. ,,We weten niet wat we moeten doen, we wachten maar af', zegt Achmad Doum vermoeid. Van 22 jaar oorlog wordt men geduldig.