Zonder idealisme gaat het niet

Als de oorlog tegen het terrorisme alleen de Amerikaanse veiligheid dient, wordt het een ongeloofwaardige strijd. David Ignatius vindt het tijd dat de VS hun arrogantie afschudden en wat meer idealisme aan de dag leggen.

Waartegen de oorlog van Amerika is gericht is wel duidelijk: tegen het terrorisme zoals dat zich manifesteerde in de gruwelijke aanval op het World Trade Center.

Maar waar vecht de door de Verenigde Staten geleide coalitie eigenlijk vóór?

Het gaat hier niet om een simpel woordspelletje. De geschiedenis leert dat Amerikaanse oorlogen succes hadden als de VS hun veiligheidsbelangen konden plaatsen in een kader van algemenere doelstellingen, waar de rest van de wereld van kon profiteren, ook (misschien wel juist) die delen van de wereld waar de vijand vandaan kwam.

Amerika is aan de Eerste Wereldoorlog mee gaan doen in de hoop een nieuw veiligheidsstelsel voor de wereld in te voeren in de vorm van de Volkenbond.

Die poging is jammerlijk mislukt, maar al tijdens de Tweede Wereldoorlog werkten de VS aan een systeem van instellingen de Verenigde Naties, de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds dat later tientallen jaren van vrede en voorspoed zou brengen, in het bijzonder voor het naoorlogse Duitsland en Japan.

Het beste voorbeeld voor wat president Bush ,,een tot nu toe ongekende, langdurige strijd'' noemt, is misschien wel de Koude Oorlog. De overwinning in die veertig jaar durende oorlog werd uiteindelijk behaald dankzij de wilskracht, het geduld en inderdaad ook de militaire macht van de Amerikanen. Maar er was nog iets anders. De Koude Oorlog was een bevrijdingsoorlog. De Verenigde Staten streden tegen armoede, achterlijkheid, corruptie en de andere maatschappelijke kwalen waarin het communisme kon gedijen. Dat was het geniale van het Marshall-plan: het zorgde voor een sterk en welvarend Europa, waardoor de communisten in het nauw kwamen.

De nieuwe oorlog tegen het terrorisme moet ook een bevrijdingsoorlog zijn, wil hij kans van slagen hebben. De spil moet worden gevormd door het idealisme en de universele principes waarop Amerika bij andere conflicten heeft gesteund. Maar dat kan alleen als de Verenigde Staten enkele fundamentele aspecten van hun politiek ten aanzien van de Arabische en islamitische wereld veranderen.

Het Amerikaanse beleid heeft de laatste jaren kunnen ontaarden in een soort arrogante nonchalance, zoals ik het maar noem. Amerika is te vaak allianties aangegaan met corrupte en autoritaire regimes in een, in islamitische ogen, cynische poging de olievoorraden voor het Westen te beschermen. De Verenigde Staten hebben zich, behalve op olie, volledig op de Arabisch-Israëlische kwestie gericht. Maar van het leven van gewone mensen in dat deel van de wereld, buiten alle intriges van het vredesproces, leken ze geen flauwe notie te hebben. Het is of Amerika alleen aan Arabieren denkt als er een noodsituatie ontstaat.

Amerika lijkt zelfs wel bang zijn basisprincipes, democratie en mensenrechten, in de Arabische wereld uit te dragen. Misschien omdat de Verenigde Staten vrezen het koningshuis van Saoedi-Arabië te beledigen. Of misschien zijn de Amerikaanse beleidsadviseurs bang dat de moslims voor een anti-Amerikaans regime zoals in Iran zullen kiezen, als ze eenmaal mogen stemmen. Maar de VS zouden nooit ofte nimmer op iets anders moeten gokken dan vrijheid en democratie.

De Verenigde Staten moeten nu steunen op een onpraktische coalitie van islamitische landen. Ten eerste Saoedi-Arabië, dat een paar dagen voor de aanslagen van 11 september nog weigerde een gezamenlijke militaire planningsbijeenkomst van de VS en Saoedi-Arabië bij te wonen, en zijn pro-Amerikaanse veiligheidsdirecteur heeft ontslagen. Ten tweede Egypte, dat over veel meer inlichtingen over de activiteiten van de Egyptenaren in de organisatie van Osama bin Laden moet beschikken dan het voor 11 september aan Washington liet weten. Dan is er Pakistan, waarvan de inlichtingendienst aantoonbaar de regering van de Talibaan in Afghanistan in het zadel heeft geholpen in een zelfzuchtige poging de eigen positie tegenover India te verstevigen.

Niet bepaald een ideale verzameling bondgenoten. Maar eigenlijk hebben de Verenigde Staten precies de bondgenoten in de islamitische wereld gekregen die ze verdienen. In de afgelopen twintig jaar is de houding van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten veranderd in afstandelijk, ongeïnteresseerd en onbetrouwbaar. Ze hadden een machtig bondgenootschap met Israël, zoals het ook hoorde, maar de meeste andere aspecten van hun Midden-Oosten-politiek hebben ze laten versloffen. Daarin moet nu verandering komen. Amerika voert een bevrijdingsoorlog niet alleen maar om zich van het terrorisme te bevrijden, maar ook van de voedingsbodem ervan.

Het is nuttig om te bedenken dat de invloed van de Amerikanen in het Midden-Oosten begon met het idealisme van al die mensen die er in de negentiende eeuw naartoe trokken als leraar, koopman of missionaris. Zij hebben in dat deel van de wereld de scholen en universiteiten opgericht waar hele generaties Arabieren hun opleiding hebben genoten, en zij hebben in dit gebied de eerste stevige brug geslagen naar de moderne wereld.

Een belangrijk instituut is de Amerikaanse Universiteit in Beiroet. Ook in de donkerste dagen van de Libanese burgeroorlog is deze instelling opengebleven, alle ontvoeringen, moordaanslagen en autobommen ten spijt. In de trotse boog van de toegangspoort tot de universiteit staan de woorden gehouwen die haar missie uitdragen: `Opdat zij mogen leven en overvloed zullen kennen.' Dat is een mooi ideaal om voor te strijden, in Amerika en overal ter wereld.

David Ignatius is columnist. © LAT-WP Newsservice