Ze moeten het zelf maar uitzoeken

Het Centrum voor Beeldcultuur dat in Rotterdam gevestigd zou worden komt er niet. Wat is er de afgelopen vier jaar misgegaan?

Na vier jaar van schermutselingen is het doek gevallen voor het in Rotterdam te vestigen Centrum voor Beeldcultuur. Beschuldigende vingers wijzen naar vertegenwoordigers van de culturele instellingen die in het project zouden deelnemen. Hun interne gekrakeel zou de afgelopen maanden zomaar ineens tot de ontsporing van het project hebben geleid. Zo eenvoudig is het natuurlijk niet. De ware oorzaken liggen veel vroeger.

Ooit was staatssecretaris Rick van der Ploeg een drijvende kracht achter de plannen voor het Centrum voor Beeldcultuur, te vestigen in het gebouw Las Palmas op de Kop van Zuid. Hij had het initiatief van het Filmmuseum, de nieuwe media-organisatie V2, het Nederlands Foto Archief (NFA), Nederlands Foto Instituut (NFI) en Nederlands Fotorestauratie Atelier (NFrA) enthousiast omarmd. Als een generaal voor zijn troepen wees hij de weg. In november 1999 was het zover dat de meerderheid van de Tweede Kamer, het ministerie van OCenW en de Raad voor Cultuur er voor waren. Zelfs de gemeente Amsterdam had zich erbij neergelegd, nadat Van der Ploeg 1,7 miljoen gulden had toegezegd voor het behoud van de bestaande publieksfuncties van het Filmmuseum in de hoofdstad. Het Filmmuseum zou namelijk voor een belangrijk deel naar Rotterdam verhuizen.

Tot Van der Ploeg op 24 november 1999 in het Amsterdamse Tuschinski Theater een gesprek had met het bestuur van het Filmmuseum. Dat bestuur was altijd al mokkend tegen een Rotterdams beeldinstituut geweest, hoewel de directie van het museum er voor was. In het gesprek verweet het bestuur de staatssecretaris dat hij een dictaat wilde opleggen. Van der Ploeg ontkende categorisch. Daarmee wist het bestuur dat het de beslissende juridische bevoegdheden in handen had, alle opinies van volksvertegenwoordiging, regering, cultuurraad en eigen directie ten spijt, en ondanks het feit dat het museum vrijwel volledig door de overheid werd gesubsidieerd. Nog geen week later deelde het bestuur dus mee dat het museum in Amsterdam bleef. Alle gesputter dat daarop nog uit Den Haag volgde, was betekenisloos. Van der Ploegs waarschuwing dat hij de geldkraan zou dichtdraaien was niet reëel, omdat het de vernietiging van een waardevolle culturele instelling zou betekenen. Zo was iedereen gijzelaar van een bestuur met bevoegdheden die in de culturele wereld steeds meer als achterhaald werden beschouwd: een gezelschap zonder veel relevante expertise behoort geen directe invloed op het beleid te hebben. Besturen worden inmiddels bij voorkeur vervangen door raden van toezicht die op grotere afstand staan.

Op 21 januari 2000 tekende Van der Ploeg zelf de capitulatie. Na een nieuw gesprek tussen Filmmuseum-bestuur en staatssecretaris, waarin de laatste ongetwijfeld nogmaals aan zijn machteloosheid werd herinnerd, werd een gezamenlijk persbericht uitgegeven met de boodschap dat het Filmmuseum niet in het beeldinstituut zou deelnemen. Kort daarop ging de Filmmuseumdirectie op non-actief.

Blazen

Waarom had Van der Ploeg in de jaren daarvoor zo hoog van de toren geblazen, wanneer hij in feite niets te vertellen had? Op basis waarvan had hij Amsterdam en Rotterdam gevraagd plannen voor beeldinstituten bij hem in te dienen, en daarmee beleidsmakers en architectenbureau's voor veel geld aan het werk gezet? Na 24 november 1999 verklaarde de staatssecretaris dat hij altijd al `faciliterend' bezig was geweest en dat de betrokkenen het zelf moesten doen. Voor de wanorde die mede door zijn voortvarende optreden was ontstaan bij diverse culturele en gemeentelijke instellingen, nam hij geen verantwoordelijkheid.

In elk geval was de eerste existentiële crisis voor het Centrum voor Beeldcultuur op 21 januari 2000 een feit. Tussen de aanvankelijke deelnemers in het Centrum, het Filmmuseum, V2, NFA, NFI en NFrA, had ondanks hun ongelijksoortigheid een evenwicht bestaan. Ze vertegenwoordigden samen een grote culturele, technische en museale ervaring op het gebied van fotografie, film en nieuwe media, en er bestond een productief spanningsveld tussen honderd jaar massacultuur, die het fundament vormden van het Filmmuseum, en de internationale kunstenaarsvoorhoede op het gebied van nieuwe media, waar V2 middenin stond. Onder een sterke leiding kon dit alles tot een vruchtbare synthese worden gebracht, onder meer in grote publiekspresentaties. Het vertrek van het Filmmuseum betekende behalve een budgettaire aderlating ook de ruwe verstoring van een evenwicht. Het verlies van de Filmmuseum-collecties was niet de grootste ramp. Daardoor verdween namelijk ook een kostenpost van vele miljoenen per jaar, terwijl de collecties via uitleen toch grotendeels voor gebruik beschikbaar bleven. Niettemin: bij pers en ambtenaren rees de vraag of doorgaan zinvol was.

Je zou kunnen zeggen dat het beeldinstituut niet onderging door het vertrek van het Filmmuseum, maar door de reactie daarop. Allereerst legde Van der Ploeg na zijn eerdere mismanagement geen bescheidenheid aan de dag. Als voorwaarde voor subsidie van het beeldinstituut eiste hij voor 15 maart 2000 zeven weken nadat het Filmmuseum had afgehaakt een nieuw inhoudelijk en financieel plan. Een eis die de vraag oproept of de staatssecretaris hoopte dat het niet zou lukken. De gemeente Rotterdam ging wat paniekerig op zoek naar een instelling die als `alternatief voor het Filmmuseum' kon dienen. Die was er uiteraard niet. Tegen heug en meug kreeg het Internationaal Film Festival Rotterdam de rol toegewezen, om na anderhalve maand te concluderen dat het zinloos was. Deels onder druk van het ministerie ging alle aandacht uit naar ambtelijke schermutselingen over geld, organisatiemodellen en papierproductie. Er werden kopstukken met politieke invloed en organisatorische vaardigheden aangetrokken als Wim Dik en Roel in 't Veld.

Intussen was er geen tijd voor een degelijke inhoudelijke evaluatie van de nieuwe toestand. Anders zou geconstateerd moeten zijn dat de overgebleven organisaties inhoudelijk niet in staat waren zich aan de eigen haren omhoog te trekken. Twee ervan waren ambachtelijke instellingen voor het archiveren en restaureren van foto's. Het NFI hield foto-exposities, blijkens de cijfers voor een select publiek. En V2 zag wel dat de nieuwe media inmiddels een zaak van alledag waren voor de doorsnee burger, maar was zelf een te gesloten gemeenschap van kunstenaars en freaks.

Inspirerend

Verschillende van de instellingen waren niet als geheel, maar alleen in de persoon van hun directeur betrokken in het proces op weg naar een beeldinstituut. Nog meer dan voorheen was het succes van het Centrum voor Beeldcultuur afhankelijk van wat er bovenop de afzonderlijke instellingen zou verrijzen. Toen al had met hoogste prioriteit aangestuurd moeten worden op een inspirerende artistieke leiding van buitenaf, niet uit het randstedelijke lobby-circuit, maar met werkelijk verstand van zaken ten aanzien van de mediacultuur een buitenlander wellicht. Er moest immers een cultuuromslag worden gemaakt, naar een centrum dat niet alleen voor het professionele veld bestemd was, maar meer nog voor het brede publiek. Een Centrum waar mediacultuur werd benaderd als een zaak van en voor de hele samenleving, primair als massacultuur, pas op de tweede plaats als een zaak van de kunstwereld. Naar die bovenbouw had alle additionele subsidie moeten gaan. En hoe sterker die bovenbouw, inhoudelijk en financieel, hoe groter de stimulans voor de deelnemende organisaties om te integreren, terwijl dat tegelijk minder dringend werd.

Er werd echter gezocht naar iemand die vooral in staat was het integratieproces organisatorisch te leiden. Dat het lang niet lukte ook maar enige leidende figuur te strikken, gaat alweer op het conto van Van der Ploeg. Hij verlangde een directeur met uitstraling, maar zegde voor slechts twee jaar subsidie toe, zodat niemand van het door hem verlangde kaliber zich eraan waagde.

Doordat de kern van het project niet werd versterkt, begonnen de middelpuntvliedende krachten te werken. Er zaten tenslotte instellingen bijeen die elk een belangrijk bestaand cultureel doel dienden. Sommige hadden verplichtingen in het culturele veld waaraan niet te tornen viel, zoals het fotoarchief en het restauratieatelier. Logisch dat de eigen positie zwaarder ging wegen naarmate een drijvende kracht langer uitbleef en daardoor blijkbaar tevens een substantiële gezamenlijke praktijk. Want V2, NFI, NFA en NFrA zitten nu in de Rotterdamse Witte de Withstraat in één gebouw, zij het krap, maar doen weinig samen.

De verwijten en beschuldigingen die nu gericht worden aan het adres van individuele betrokkenen, zijn slechts laatste incidenten in een lange geschiedenis. Wanneer de Rotterdamse wethouder Kombrink nu ook nog zijn dreigement uitvoert en voor straf de subsidie aan sommige van de betrokken instellingen afknijpt, is het drama compleet.