Wildheid als grootste schat

`Hij vroeg dus maar eens wat ze van hem wilden, maar ze verstonden zijn woorden niet en hun antwoord bestond uit allerlei vreemde, klokkende geluiden, waarvan Oehoehoe op zijn beurt weer niets begreep'. In het tweede deel van haar trilogie over een jonge Zoeloe, Oehoehoe in de wildernis (1900) vertelt Nynke van Hichtum hoe Oehoehoe door de Bosjesmannen in de Kalahari woestijn gevangen wordt genomen en als slaaf verkocht. Het eerste wat de jongen aan deze kleine jagers en verzamelaars van Zuidelijk Afrika verbaast is de vreemde kliktaal, waarbij medeklinkers worden gevormd door lucht te inhaleren, in plaats van uit te blazen, een eigenaardigheid die vele waarnemers is opgevallen.

De rest van de beschrijving is ook een terugkerend thema: de wildheid van de Bosjesmannen, naast wie de Zoeloes zich beschaafd konden voelen, zoals Van Hichtum niet ophoudt te herhalen. Die achterlijkheid ten opzichte van zwarte en blanke indringers is hun vloek gebleven, en een voorwendsel om hun levenswijze – en vaak hun leven – als quantité négligeable af te doen.

De journalist Sandy Gall neemt in The Bushmen of Southern Africa zelfs het woord genocide in de mond. Met zijn kroniek van de vervolging vervult de Engelsman een beetje de rol van oorlogscorrespondent die hij eerder in Vietnam en Afghanistan vervulde. In Zuidelijk Afrika reist hij de plaatsen af waar de moderne cultuur en de Bosjesmannen hardhandig op elkaar zijn gebotst. In zijn verslaggeving van het bloedige verleden en het pijnlijke heden kiest hij partij voor de jagers en verzamelaars die het onderspit dreigen te delven. `Zaakwaarnemerschap' noemde de Nederlandse cultureel antropoloog André Köbben zo'n pleidooi ten behoeve van schriftloze volken.

Proletariaat

Er zijn nog zo'n honderdduizend Bosjesmannen, verspreid in Zuid-Afrika, Namibië, en Botswana. Voorzover ze niet opgaan in een landelijk proletariaat, bieden de resten van de jagers en verzamelaars tegenstand aan de rand van onherbergzame oorden als de Namibische en Kalahari woestijn. In het vuur van de verdediging verliest Gall wel eens uit het oog dat de nobele wilden waarvoor hij het opneemt, bij elkaar een paar honderd stijfkoppen vormen, die bij het welslagen van hun strijd voor een traditionele levenswijze hoogstens tot een paar duizend zouden oplopen.

Hoeveel Bosjesmannen er ooit waren is niet bekend, maar dat ze al duizenden jaren in de savannen en half-woestijnen rondzwierven bewijzen de rotstekeningen die zij hebben achtergelaten. Al vóór de landing van Jan van Riebeek in 1652 op de Kaap waren zij in de verdrukking gekomen door migraties van Bantoevolken uit het noorden, maar het oprukken van de `trekboeren' luidde het begin van de grote slachting in waar Gall zijn zaak aan dankt.

Tot en met de naoorlogse apartheid volgden grof geweld en bureaucratische pesterij elkaar op bij het verdrijven van de Bosjesmannen van hun jachtgronden, waarvoor de koloniale, en later de nationale regeringen, natuurlijk altijd een betere bestemming wisten. Soms bood een milde boerenleider of een verlichte gouverneur even respijt. Hoewel Gall het begrip `genocide' lichtvaardig hanteert, lijkt het wel van toepassing op de dagen van het Duitse bestuur van Zuid-West Afrika (1884-1915), waarin van overheidswege werkelijk jacht werd gemaakt op de Bosjesmannen.

Terreur en intimidatie duren ook nu nog voort, onder zwarte regeringen. Alleen Zuid-Afrika heeft in 1999 de jagers officieel land overgedragen waar zij naar eigen inzicht mogen leven. Het noordelijke Botswana echter voert in het Kalahari reservaat al een paar jaar een actief ontruimingsbeleid. Het beheer van wildparken en de diamantontginning worden namelijk gehinderd door de zwervende Bosjesmannen. Galls requisitoir tegen de vervolging is op zijn best bij de beschrijving van de troosteloze plekken waar de jagers vervolgens `voor hun eigen bestwil' worden opeengehoopt.

In de ogen van de zaakwaarnemers, waartoe Prins Charles behoort die ook het voorwoord schreef, is de `wildheid' natuurlijk de grootste schat van de Bosjesmannen: `Wie weet tot welke oude overgeleverde wijsheid we ons straks nog zullen moeten wenden om, in een wereld die door onze onverschilligheid en dwaasheid zo ernstig beschadigd is, te overleven?' De gal die Gall spuugt over de mishandeling van de Bosjesmannen wordt vertroebeld door dit soort mierzoete passages over de mystieke krachten van de woestijn. Een beter aanknopingspunt voor het ingrijpen ten behoeve van hun levensstijl biedt een cultureel antropoloog die in het boek aan het woord komt: jagers en verzamelaars begaan een `doodzonde' in de moderne tijd, zegt hij, omdat ze niet aansturen op een grotere productiviteit bij het aanwenden van hun rijkdommen.

Exploitatie

Het boek van de Zuid-Afrikaanse fotograaf Paul Weinberg gaat over de moeite om die zonde goed te maken. Herovering van het paradijs illustreert met vele foto's de pogingen in Zuid-Afrika, Namibië, Zimbabwe, Kenia en Mozambique om jagers en nomaden als de Bosjesmannen en de Masaï in te zetten bij de exploitatie van wildparken, en hun in de winst te laten delen. Plaatselijke gemeenschappen leveren gidsen voor de fotosafari's, en verkopen houtsnijwerk. Hotels steken geld in voorzieningen van vissers en sturen hun gasten naar het volksdansen.

Schrijvers uit verschillende windstreken hebben hun best gedaan om zich te verplaatsen in de noden en gevoelens van hun inheemse zegslieden, en dat zorgt voor kleurrijke verhalen. Maar zelfs de lange ode van de dichteres Antjie Krog aan een natuurreservaat legt het af tegen de prachtige foto's van dieren en mensen van Paul Weinberg. Soms lijken die echter een andere taal te spreken dan de goede voornemens waarin de woordvoerders van de projecten zich uitputten. Roestige blikken en ander vuil zwerven in het stof van de nederzettingen, en de gevilde olifantspoten worden per shovel aangeleverd. Dan doemen weer de ballingsoorden op van Galls bittere tirade.

De Engelse titel Once we were hunters raakt de kern beter dan de Nederlandse vertaling Herovering van het paradijs, want deze doet meer recht aan de benarde situatie van de neolithische stammen in de eenentwintigste eeuw. Nog altijd jagen kleine Bosjesmannen en grote Masaï op antilopen en leeuwen, maar nu om op de nobele gevoelens van toeristen voor wild en wilden te werken.

Weinberg is er goed in geslaagd de boodschap over te brengen dat zo'n wankel evenwicht van sentimenten en belangen steun verdient. Maar alle inkeer en heimwee ten spijt, kunnen de Bosjesmannen en de andere stammen die in het moderne Afrika weglekken geen tweede leven beginnen. Het paradijs wordt onherroepelijk een openluchtmuseum.

Paul Weinberg e.a.: Herovering van het paradijs. Reizen met inheemse volken van zuidelijk Afrika. Uit het Engels vertaald door Erika Peeters. Mets & Schilt/NOVIB 175 blz. ƒ49,90

Sandy Gall: The Bushmen of Southern Africa. Slaughter of the Innocent. Chatto & Windus, 264 blz. ƒ83,40 (geb.), Pimlico, ƒ55,75 (pbk.)