Verliefd op zijn eigen stem

De acteur koos zelf zijn biograaf. Al in 1989 liet John Gielgud weten dat hij de gerenommeerde theaterpublicist Sheridan Morley tot zijn levensbeschrijver wenste te benoemen. Eén kwestie bleef echter onbesproken. Gielgud werd in 1953, een paar maanden nadat de koningin hem tot sir John had gemaakt, in een openbaar toilet in Chelsea gearresteerd wegens uitlokking tot homoseksueel gedrag. Dat kwam hem te staan op de standaardboete van tien pond en op veel publiciteit. Het schandaal ebde snel weg toen bleek dat Gielgud zijn populariteit niet had verspeeld – integendeel, het publiek bleef hem van harte trouw. Naarmate hij ouder werd, groeide de verering. En voor de Britse pers, die anders altijd zo gretig melding maakt van ieders seksuele voorkeur, stond hij voortaan boven de wet.

Morley besefte dat deze pijnlijke episode in een biografie niet kon ontbreken. Maar hij wist bovendien dat Gielgud zich er in het openbaar nooit meer over heeft uitgelaten. Over zijn privé-leven zweeg de acteur in alle talen; zelfs als allerlei collega's in actie kwamen voor zaken die met homoseksualiteit te maken hadden, hield hij zich angstvallig afzijdig. Toen de biograaf het onderwerp desondanks ter sprake bracht, antwoordde Gielgud dat hij er destijds – dom genoeg – niet aan had gedacht een vriend met goede connecties te bellen, waardoor het voorval uit de publiciteit had kunnen blijven. ,,Maar ik schaamde me diep, niet om wat ik had gedaan, maar omdat ik was betrapt.'' En veel meer wenste hij er niet over te zeggen.

In de daaropvolgende jaren schoof Morley het schrijven opzettelijk voor zich uit. Regelmatig werd hij opgebeld door een ongeduldige Gielgud, die het manuscript wilde lezen: ,,Hoe oud ben ik nu, beste jongen?'' In de twintig, loog Morley dan. Terwijl hij in werkelijkheid aanstuurde op uitstel tot Gielgud dood zou zijn; dan had hij de handen vrij. Op den duur moet Gielgud die tactiek hebben doorzien, schrijft de biograaf in zijn inleiding, maar ze hebben het nooit met zoveel woorden tegen elkaar gezegd. Nu biecht Morley op, dat hij pas met schrijven is begonnen nadat zijn hoofdpersoon op 22 mei 2000, op 96-jarige leeftijd, was gestorven. Het is begrijpelijk, maar het roept wel twijfels op over de ondertitel van zijn boek: the authorised biography of John Gielgud. Hoe geautoriseerd kan een biografie zijn, als de gebiografeerde er geen letter meer van heeft kunnen lezen?

John Gielgud was de zoon van een welvarende beurshandelaar van Poolse afkomst en een moeder die een telg was uit een vermaard Engels toneelspelersgeslacht. Hij wilde nooit iets anders dan acteur worden, zonder precies te weten waarom. Als hij iemand anders nadeed, oppert Morley, hoefde hij in elk geval niet zichzelf te zijn, want dat gaf hem al op jeugdige leeftijd een ongemakkelijk gevoel. Als puber vond Gielgud zichzelf nogal verwijfd. Hij vreesde dan ook dat iedereen aan hem kon zien dat hij homoseksueel was. En tegelijk was hij een ijdeltuit. ,,Ik was veel te verliefd op mijn eigen stem'', zei hij later, kritisch terugkijkend op zijn eerste acteerprestaties.

Exquis

Het moet tamelijk lang hebben geduurd voordat Gielgud de acteur werd die zich sir mocht noemen. Hij zwelgde in het prototype van de romantische toneelheld en zegde zijn teksten alsof er een exquise zuchtje wind door het lover ruiste – oververfijnd, zangerig en zelfs in de jaren twintig al enigszins ouderwets. Maar met zijn houding wist hij zich nog geen raad. Toen hij voor het eerst optrad als Romeo – vanzelfsprekend de favoriete rol van zijn beginjaren – maakte een criticus bezwaar tegen zijn `betekenisloze benen'. Maar toch wist hij snel naam te maken; hoewel er nog van alles niet aan hem deugde, zag men wel dat hij getalenteerd was.

Doorslaggevend was volgens Morley de rol van Trofimov, die Gielgud in 1924, op zijn twintigste, te spelen kreeg in De kersentuin van Tsjechov. De regisseur was een Rus uit de Stanislavski-school, wiens belang blijkbaar te vergelijken valt met dat van Peter Sjaroff op het Nederlandse toneel in de jaren vijftig en zestig – een man die zijn acteurs trachtte onder te dompelen in de sfeer van de Russische negentiende eeuw en veel aandacht vroeg voor de psychologie van de karakters. Dat was tamelijk nieuw voor acteurs als Gielgud, aldus zijn biograaf. Tot dusver hadden ze zich voornamelijk bekommerd om de siersprekerij, het theatrale effect en de bijbehorende lichaamshoudingen, en veel minder om een genuanceerde karaktertekening. ,,Voor het eerst zag ik in, dat ik me geen zorgen meer hoefde te maken over de vraag of ik me wel elegant bewoog en of ik er wel knap genoeg uitzag'', zei Gielgud op verraste toon. Zo groot was het verschil met het traditionele toneel.

Eigenlijk was hij volgens zijn biograaf pas echt gelukkig als hij werkte. In de kleedkamers en in de repetitielokalen kon hij naar hartelust malicieuze roddels over andere collega's vertellen – dat deed hij graag – en zichzelf vermommen in een rol. Bovendien was hij zeer geïnteresseerd in decors en kostuums. Buiten het toneel vond hij het leven aanzienlijk minder interessant. Aan langdurige relaties kwam hij nauwelijks toe. Vriendjes waren welkom, als ze maar niet te veel aandacht vroegen. ,,Net als Noël Coward beschouwde hij het privé-leven min of meer als een onderbreking van de werkdag'', zegt een vriend uit die dagen.

In de loop van 1939, toen de oorlogsdreiging dagelijks toenam, logeerde Gielgud een weekend bij een vriend buiten Londen. 's Zondagsmorgens liep de acteur naar het dorp om de kranten te halen. Toen hij terugkwam, vroeg de vriend of het al oorlog was. ,,Oh, daar weet ik niets van'', antwoordde Gielgud, ,,maar Gladys Cooper heeft de meest verschrikkelijke kritieken gekregen!''

Zo bezien kan John Gielgud tevreden zijn over de biograaf die hij zich koos, want John G gaat voornamelijk over zijn werk. Elke rol wordt door Sheridan Morley uitgebreid beschreven, met overvloedige fragmenten uit recensies en fanmail. Geen voorstelling slaat hij over. Alle voors en tegens worden geciteerd. Dat maakt de toon nogal afstandelijk en soms gaat de volledigheid ten koste van de vaart. Maar het boek werd er wel een grondig naslagwerk van.

Alleen zijdelings worden af en toe privé-besognes ter sprake gebracht. Alleen aan de arrestatie, en de morele overwinning die Gielgud daarna behaalde, wordt meer aandacht besteed. Helder schetst Morley de homofobe context van die tijd, en overtuigend beschrijft hij welke effecten de affaire uiteindelijk op de Engelse wetgeving heeft gehad. Typerend is dat hij nu voor het eerst kan citeren wat Noël Coward er destijds in zijn dagboek over schreef: ,,Arme, malle, idiote, gekke, onvoorzichtige John... net nu het er voor ons allemaal iets beter begon uit te zien...'' Die passage werd geschrapt toen de dagboeken in boekvorm verschenen, want Coward hield er een strikte discretie op na als het over zijn homoseksualiteit ging. Net als Gielgud sprak hij in de publiciteit uitsluitend over zijn werk.

Intussen toont Morley aan, dat John Gielgud zich ook tijdens de oorlog vooral op het theater concentreerde. Hij trad wel op voor liefdadige doelen, ten bate van de Engelse oorlogsinspanning, maar was er kennelijk met zijn hoofd niet echt bij. Hij speelde en regisseerde de ene voorstelling na de andere en was evenmin erg geïnteresseerd in de film, die voor generatiegenoten als Michael Redgrave en Laurence Olivier allang een aantrekkelijk werkterrein vormde. In de vijf films waaraan Gielgud vóór de oorlog meewerkte viel hij nauwelijks op.

Hollywood

Pas in 1952 speelde hij zijn eerste Hollywood-rol, in Julius Ceasar van Joseph Mankiewicz – weliswaar van zijn geliefde Shakespeare, maar toch buiten het theater. Blijkens de brieven die hij naar zijn moeder schreef voelde Gielgud zich als Alice in Wonderland: ,,De plotselinge verandering is een beetje verwarrend, en ik voel me als een nieuwe leerling op school.''

Maar ook daarna zou het nog minstens vijftien jaar duren voordat Gielgud ook in zijn tv- en filmrollen een groot acteur werd. Volgens zijn biograaf lag zijn hart nu eenmaal in het theater. `Of hij een film al of niet zou maken, was bijna uitsluitend afhankelijk van de vraag of het goed geld opbracht, en of zijn agenda die week leeg was', schrijft Morley. `Voor hem was het filmen nu een prettige manier om goed te kunnen leven, contact te houden met oude vrienden uit de acteurswereld en op kosten van anderen naar plekken te gaan om de weinige landen te zien waar hij nog nooit was geweest. De gedachte [...] dat de film een kunstvorm was, die even serieus kon worden genomen als het theater, kwam eenvoudigweg nooit bij hem op.'

Dat is moeilijk te geloven, voor wie Gielgud zag als de monkelende vader in Brideshead Revisited of de ondeugende butler in Arthur, waarvoor hij een Oscar kreeg. Het moet hem op zijn minst plezier hebben gedaan met steeds minder uiterlijke middelen steeds meer te kunnen suggereren. Maar het is wel waar dat hij pas na 1981, door Arthur, in goeden doen raakte. Nadat hij zijn butlerrol nog eens dunnetjes had overgedaan in een serie reclamespots voor Paul Masson California Wines, kon hij de hypotheek op zijn huis terugbetalen en de rest op een spaarrekening zetten.

Allengs wist hij ook niet meer van ophouden. Nog op zijn 86ste vertolkte hij de hoofdrol in Prospero's Books van Peter Greenaway (,,ik wilde iets nalaten van mijn Shakespeare-werk'') en tien jaar later, op zijn 96ste verjaardag, speelde hij een zwijgende rol in een tv-versie van het korte Catastrophe van Samuel Beckett, met Harold Pinter als tegenspeler en David Mamet als regisseur. Het resultaat wordt hier volgend voorjaar uitgezonden op Nederland 3, als onderdeel van een grote serie Beckett-verfilmingen.

,,Eigenlijk ben ik iets te oud om nog als figurant te werken'', grapte John Gielgud op de avond na de opname tegen zijn biograaf. Een maand later stierf hij. De man die zo graag zijn eigen stem hoorde nam afscheid in een zwijgende rol.

Sheridan Morley: John G. The authorised biography of John Gielgud. Hodder & Stoughton, 510 blz. ƒ83,40