Skelet in de smeltkroes

Spannende tijden in de Amerikaanse archeologie: de orthodoxie over de eerste bewoners van het continent wankelt. Over een 9.000 jaar oud skelet is een hevige strijd ontbrand, die de open zenuw heeft geraakt van de omgang met het indiaanse verleden.

Kwamen de eerste Amerikanen uit Europa en niet, zoals de heersende opvatting wil, uit Azië? Reken er maar niet op. De controverse rond een 9.300 jaar oud `kaukasisch' skelet dat in 1996 werd gevonden in de staat Washington, de zogenaamde `Kennewick Man', woedt nog onverminderd onder archeologen en antropologen. Het skelet – ontdekt door twee jongens langs de Columbia rivier bij het plaatsje Kennewick – past bij een dertigtal andere resten van `Paleo-Amerikanen' die zijn gevonden in Noord- en Zuid-Amerika. Onderzoek suggereert dat een aantal van hen niet afkomstig waren uit noordelijk Azië, zoals de voorouders van de huidige Amerikaanse indianen. Amerika is mogelijk bevolkt door verschillende groepen, op diverse tijden en langs andere routes dan alleen de bekende Beringstraat.

Onder archeologen woedt de laatste jaren een creatief en levendig debat over zulke vragen. Het oude paradigma van de `Clovis-horizon' – die bepaalt dat 13.000 tot 11.000 jaar geleden de eerste Amerikanen over de Beringstraat het continent binnenkwamen – wankelt door intrigerende vondsten, waarvan Kennewick Man er één is. Daarnaast raakt het debat aan allerlei open zenuwen zoals de racistische verhouding tot de indianen, en de koloniale rol die antropologie en archeologie daarin hebben gespeeld.

De Kennewick Man is dan ook direct inzet geworden van een complexe en hevige belangenstrijd. De federale overheid en een coalitie van indiaanse stammen zijn in een slijtageslag verwikkeld met een groep van acht wetenschappers die nader onderzoek willen doen naar het skelet. Dat is eigendom van het leger, omdat het op militair land werd gevonden, maar de overheid heeft bepaald dat het moet worden teruggegeven aan de indianen, die het willen begraven. Hun claim berust op grondrechten en orale traditie, maar wordt aangevochten door een groep wetenschappers, die een groot verlies voor de archeologie vrezen; op het skelet is bijvoorbeeld nog geen dna-onderzoek verricht, waarmee mogelijk afstamming kan worden vastgesteld. De kwestie sleept al vijf jaar, een uitspraak in hoger beroep wordt dit jaar verwacht.

Dat de gemoederen zo verhit zijn geraakt, komt doordat de eerste archeoloog die Kennewick Man onderzocht, James C. Chatters, vaststelde dat het skelet `Kaukasische' trekken had – een langwerpig, smal hoofd – en geen indiaanse, zoals een ronder hoofd en hoge jukbeenderen. Hij dacht dat het om een blanke mijnwerker ging, tot bleek dat het skelet ruim 9.000 jaar oud was. Een stokoude blanke Amerikaan? Het gevolg was een journalistiek pandemonium. De zaak werd door Chatters, onbedoeld, nog verder aangejaagd toen hij langs zijn neus weg opmerkte dat Kennewick Man lijkt op Jean-Luc Picard, de Franse kapitein uit de science fiction serie Star Trek.

Dat was een slip of the tongue. De meeste archeologen, ook Chatters, zijn het er na verder onderzoek over eens dat de Kennewick Man op geen enkel modern volk lijkt, zeker geen `blanke' was, en dat hij – als er dan gekozen moet worden – het meeste weg heeft van het oude inheemse Ainu-volk van Japan, of de Polynesiërs van de Stille Zuidzee. Chatters zelf heeft zich naderhand onder meer verdedigd door erop te wijzen dat hij als forensisch archeoloog nu eenmaal een raciale categorie moest invullen op de formulieren – en de schedel leek eerder `Kaukasisch' dan standaard `Indiaans'.

Met die raciale typologie was overigens nooit per se bedoeld `Europees': Kaukasiërs' leven van Centraal-Azië tot het Midden-Oosten in Noord-Afrika, India en Zuid-Azië (Kennewick Man werd tenslotte ook gevonden aan de westkust van Amerika, niet aan de oostkust).

Status aparte

Maar het kwaad was toen al geschied. De vondst van een `Kaukasische' inheemse Amerikaan was koren op de molen van blanken die de indianen hun status aparte binnen Amerika en hun aanspraken op grondgebied willen ontnemen. De steun die ze krijgen van de federale overheid, maar ook het groeiende zelfvertrouwen van indiaanse stammen, hun juridische successen in procedures over land- en visrechten en hun inkomsten uit casino's, hebben het anti-indiaans ressentiment aangewakkerd. Zo werd Kennewick Man `the Great White Hope' van de Asatru Folk Assembly, een extreem-rechtse organisatie in Californië, die ervan overtuigd is dat de eerste Amerikanen Germaanse wortels hadden.

Die behoefte aan een Europese oorsprong is niet nieuw, zo blijkt uit Skull Wars. Kennewick Man, Archeology and the Battle for Native American Identity door David Hurst Thomas, een conservator van het Museum of Natural History in New York. Blanke Amerikanen die alleen nog maar te maken hadden met opgejaagde en berooide indianen konden zich niet voorstellen dat dit armzalige volk de grote aarden heuvelsteden had gebouwd die werden gevonden in de Mississippi-vallei, of de geraffineerde irrigatie-werken in Arizona: daar móesten wel Europeanen aan te pas zijn gekomen, of toch op zijn minst hoger ontwikkelde indianen als de Azteken. Het bleek raciaal wensdenken. De vondst van Kennewick Man gaf opnieuw voeding aan een theorie die in de bonte parade van scenario's voor de bevolking van het Amerika door sommige archeologen wordt verdedigd: dat de eerste Amerikanen, of een deel van hen, uit Europa kwamen. Het geldt als het minst aannemelijke scenario in een vakgebied dat door recente vondsten en inzichten volkomen op zijn kop is gezet.

Met zijn empathie voor de indiaanse zaak laat Skull Wars zich lezen als een vervolg op Dee Browns aanklacht tegen de onderwerping van de indianen Bury My Heart at Wounded Knee, met één verschil: het is veel degelijker. Hurst Thomas zet in een schrijnend relaas uiteen hoe de indianen, na te zijn verslagen door het leger, in naam van de negentiende-eeuwse rassenleer werden gemeten, genummerd, gecatalogiseerd en tentoongesteld. Het waren de hoogtijdagen van het schedelmeten, van een primitieve vorm van darwinisme en van het denken in onveranderlijke en hiërarchisch geordende rassen. De indianen moesten worden bestudeerd als `exemplaren' van een natuurlijke soort, voordat die geheel zou zijn verdwenen. Hun nalatenschap was bij musea uiteraard in betere handen dan bij de armoedzaaiers op de reservaten. De neergang van de indianen ging zo samen met de opkomst van de musea voor Natuurlijke Geschiedenis.

Voor hun collectie-vorming was veel toegestaan. Indiaanse begraafplaatsen werden leeggehaald, schedels geroofd en verhandeld. De lijken van de Cheyennes die in 1864 aan de Sand Creek in Colorado werden overvallen en gedood door een militie, werden naar het Smithsonian Institute in Washington gestuurd, dat op den duur beschikte over 18.000 indiaanse resten. Franz Boas, de aartsvader van de Amerikaanse antropologie en een anti-racist, begon zijn loopbaan als grafschenner uit naam van de wetenschap. Musea vervulden ook een rol voor levende indianen: zo haalde Boas zes Groenland-eskimo's naar zijn museum in New York. Legendarisch is het lot van `Ishi', de laatste van de Yahi-stam die in 1911 opdook in Californië, en die als bezienswaardigheid en studie-object een kamertje kreeg in een museum tot zijn dood, vijf jaar later.

Pas laat in de twintigste eeuw bracht wetgeving een ommekeer. De meest vergaande wet is de Native American Grave Protection and Repatriation Act (1990), die indiaanse begraafplaatsen beschermt tegen plunderaars en bepaalt dat federale instanties en gesubsidieerde musea al hun indiaanse stoffelijke overschotten en religieuze objecten moeten inventariseren en teruggeven aan de oorspronkelijke stammen, als die erom vragen. Resten die nog worden ontdekt op indiaans of federaal land, zijn voortaan eigendom van indiaanse groepen die ooit op dat land woonden, of kunnen aantonen verwant te zijn aan de oorspronkelijke bewoners. De wet geldt niet voor land dat eigendom is van staten of van particulieren.

Op grond van de wet zijn inmiddels duizenden schedels, skeletten en voorwerpen teruggegeven: 700 resten en voorwerpen aan stammen in Alaska, 2.000 resten aan een pueblo in Nieuw-Mexico. Ook de resten van Sand Creek zijn door het Smithsonian (waar een aparte museumwet voor geldt) geretourneerd aan de nabestaanden. Maar de NAGPRA-wet heeft ook de weg geopend naar langdurige en bittere conflicten, waarvan de loopgravenoorlog over de Kennewick Man het beruchtste voorbeeld is. Andere prehistorische skeletten zijn inmiddels al geretourneerd en begraven, tot woede en spijt van wetenschappers.

Met Kennewick Man hebben zij de streep getrokken. En in alle redelijkheid hebben ze een zaak, want het is de vraag of de wet óók moet gelden voor millennia oude resten, waarvan de culturele verwantschap aan een nu levende stam – als die er al zou zijn – moeilijk wetenschappelijk is vast te stellen. Ook Hurst Thomas (die zozeer sympathiseert met de indianen dat hij op hun verzoek geen foto's van skeletten in zijn boek heeft opgenomen) noemt NAGPRA in Skull Wars een `modderig stuk wetgeving'.

Orale tradities

James Chatters is nog uitgesprokener in zijn recente Ancient Encounters. Kennewick Man and the First Americans. Hij is een van de acht onderzoekers die de zaak hebben aangespannen tegen de federale overheid om opnieuw toegang te krijgen tot het skelet, en fulmineert in zijn boek tegen het misbruik dat van de wet wordt gemaakt `door stammen met de grootste mond'. Die hebben er genoeg van object te zijn van onderzoek en eisen – mede gevoed door kritiek op de `westerse' wetenschap – respect voor hun eigen geschiedenis en orale tradities. De Umatilla-indianen, die Kennewick Man opeisen, beroepen zich op hun scheppingsverhalen en orale traditie om aan te tonen dat ze al zo lang in het gebied wonen dat hij best verwant aan hen kan zijn, en in elk geval gevonden is op land dat ooit aan hen toebehoorde.

Die onverzettelijke houding is, na lezing van Skull Wars, begrijpelijk. En scheppingsverhalen zijn natuurlijk óók een bron van informatie – maar dat maakt ze nog niet tot wetenschap. Hurst Thomas besluit zijn boek daarom met een pleidooi voor matiging aan beide kanten: begrip voor onderzoek bij de indianen, en een `humane' archeologie die hun tradities respecteert en serieus neemt als kennisbron. Overigens zijn er ook nu al stammen, zoals de Tlingit, die wel enthousiast meewerken aan archeologisch onderzoek naar hun verleden.

Hoe hard de Umatilla de zaken aanpakken, blijkt uit Ancient Encounters. James Chatters geeft voorbeelden van pogingen tot intimidatie door zaakwaarnemers van de stam en van het conflictmijdende opportunisme van de federale overheid, die de indianen niet tegen de haren wil instrijken. Hij werd gedwongen het skelet af te staan aan het leger, dat het vervolgens zo slecht bewaakte dat het beschadigd raakte, en er botjes verdwenen. In september vorig jaar bepaalde de minister van binnenlandse zaken dat de Kennewick Man moest worden afgestaan aan de Umatilla-indianen. Chatters en zeven andere onderzoekers zijn tegen die uitspraak in beroep gegaan, en zijn boek is mede bedoeld als munitie in die zaak, die dit jaar moet voorkomen in Portland, Oregon.

In Ancient Encounters distantieert Chatters zich ook opnieuw van de conclusies die uit zijn werk zijn getrokken, na zijn onfortuinlijke gebruik van het woord `Kaukasisch'. Kennewick Man, onderstreept Chatters, verschilt van álle moderne etnische groepen. Geen modern volk lijkt trouwens veel op zijn voorouders – hij zou dus ook best een indiaan kunnen zijn. Die conclusie strookt met nieuw onderzoek naar migraties, afstamming en genetica, dat niet meer uitgaat – zoals wetenschap in de negentiende eeuw – van statische `rassen' en typologieën als `Kaukasisch' en `Mongoloïd'. Moderne onderzoekers werken behalve met fysiologie ook met dna-onderzoek en houden veel meer rekening met aanpassing, met de genetic drift die kan optreden bij migratie, en een meer `vloeiend' onderscheid tussen mensentypes.

Meer migraties

En de Kennewick Man zelf? Hoe gaat het met hém?

In Ancient Encounters doet Chatters ook een poging het leven van Kennewick Man te reconstrueren, en onderzoekt hij verscheidene scenario's voor de komst van de `Paleo-Amerikanen' naar het continent. Kennewick Man was vermoedelijk een veertiger, en een tamelijk gehavende. Hij had gekneusde ribben, een speerwond in zijn bekken en vele andere kleine aandoeningen en wondjes. Chatters beschrijft hoe Kennewick Man moet hebben geleden, hoe hij stonk, maar ook `zeker lid was van een sociale groep, die van hem hield'. Zijn doodsoorzaak is onzeker, Chatters noemt bloedvergiftiging of infectie. Maar wie weet kwam hij ongelukkig ten val, of is hij verdronken.

In totaal zijn in Noord-Amerika nu 39 prehistorische menselijke resten gevonden van 9.000 jaar oud of ouder, waarvan bijna een derde compleet genoeg is om te spreken van individuen. Intrigerend is ook `Luzia', het skelet van een vrouw met negroïde trekken die werd gevonden in Brazilië, een aanwijzing dat Noord- en Zuid-Amerika mogelijk in verschillende migraties bevolkt zijn geraakt. Anderen, mannen, hebben lange, smalle schedels zoals die van de Kennewick Man. Opvallend is ook dat acht van de twaalf mannen verwondingen vertonen, vooral aan het hoofd, wat er volgens Chatters op wijst dat het nomadische leven van de jagers-verzamelaars in het Stenen Tijdperk zeker niet vreedzaam was – een tijd lang een dogma onder antropologen.

Chatters meent dat de Paleo-Amerikanen een aparte groep vormden, opvallend anders dan de huidige Amerikaanse indianen, die duidelijk verwant zijn aan meer noord-Aziatische volkeren. Dat beide groepen zich door genetic drift hebben ontwikkeld uit één groep kolonisten acht hij onwaarschijnlijk. En hoe kwamen ze er? Volgens Chatters over zee, langs de Pacific-kust. Van alle scenario's voor de bevolking van Amerika vindt hij dat de meest plausibele, al zal bewijs moeilijk zoniet onmogelijk te leveren zijn, omdat eventuele dorpen van deze immigranten nu honderden meters onder de zeespiegel zullen liggen.

Chatters haakt ook in op de controverse rond Monte Verde (Chili), waar resten van menselijke bewoning zouden zijn gevonden die veel ouder zijn dan mogelijk is volgens het Clovis-paradigma. De resultaten van dat onderzoek worden nog steeds aangevochten, maar als er tóen al mensen in Chili leefden, zo ver naar het zuiden, kan `Clovis' niet standhouden. Amerika zou dan wel eens vanaf het begin een melting pot kunnen zijn geweest, schrijft ook Hurst Thomas. Ook de grote linguïstische diversiteit in de Amerika's zou daarop wijzen. De `kustroute-hypothese' die Chatters aanhangt, zou dan kunnen verklaren waarom er resten van bewoning op het continent zijn van vóórdat de `Clovis'-landbrug uit Siberië de noordelijke toegang tot Amerika opende.

En dan de Europeanen. Kennewick Man lijkt dus voedsel te geven aan een derde optie, met immigranten die uit Zuid-Europa komen — de `Solutreaanse route', genoemd naar een Spaanse prehistorische cultuur.

De theorie heeft hardnekkige verdedigers, maar aan de `Polynesiër' Kennewick Man zullen zij niet veel hebben. Inmiddels heeft de rechter de eis afgewezen van een 65-jarige Samoaanse Amerikaan, ook wel bekend als `Opperhoofd Faumuina', die het skelet claimde nadat hij had gelezen over de Polynesische trekken van Kennewick Man. Samoa vist dus hoe dan ook achter het net.

James C. Chatters: Ancient Encounters. Kennewick Man and the First Americans. Simon & Schuster, 303 blz. ƒ72,50 (geb.) David Hurst Thomas: Skull Wars. Kennewick Man, Archeology and the Battle for Native American identity. Basic Books, 326 blz. ƒ53,10 (pbk)