Regering Indonesië verbiedt burgers deelname aan jihad

De regering van Indonesië, het grootste moslimland ter wereld, zal voortaan streng optreden tegen burgers die razzia's houden onder buitenlanders en tegen gewelddadige betogingen bij buitenlandse ambassades. Deelneming van Indonesiërs aan een zogenoemde jihad (heilige oorlog) tegen Amerikanen in Afghanistan wordt verboden.

Het Indonesische kabinet belegde gisteren een vergadering om een samenhangend beleid te formuleren met het oog op de gevolgen van de terreuraanslagen van 11 september in de Verenigde Staten. Die hebben geleid tot maatschappelijke onrust en agressie van radicale moslimgroeperingen tegen de ambassade en burgers van de Verenigde Staten. De radicale Islamitische Jeugdbeweging (GPI) is begonnen in Jakarta en andere steden vrijwilligers in te schrijven voor een jihad in Afghanistan voor het geval de VS vergeldingsacties ondernemen tegen dat land.

Na afloop van het kabinetsberaad lichtte de coördinerende minister van Politieke en Veiligheidszaken, generaal b.d. Susilo Bambang Yudhoyono, de besluiten toe. Betogingen die gepaard gaan met dreigementen, verbranding van nationale vlaggen, portretten van buitenlandse staatshoofden en symbolen van de soevereiniteit van bevriende landen zullen voortaan worden verhinderd. Vreedzame demonstraties blijven toegestaan.

Voorbereidingen voor het houden van razzia's tegen buitenlanders in Indonesië zullen eveneens worden verhinderd. De zoekactie naar Amerikaanse toeristen, die enkele moslimradicalen onlangs hielden in de Midden-Javaanse stad Solo, werden door de plaatselijke politie nog niet beschouwd als ,,razzia's in de zin van aanhouding, ondervraging, fouillering en molest'', maar ,,het ging wel die kant op en daarom zullen we voortaan voorbereidingen in die richting voorkomen''.

De regering ,,rechtvaardigt noch tolereert dat Indonesische staatsburgers fysiek betrokken raken bij conflicten of oorlogvoering in het buitenland''. Om drie redenen: een en ander brengt de veiligheid van deze burgers in gevaar; rechtstreekse deelname van Indonesiërs aan buitenlandse oorlogen is verboden en ,,zorg om de islamitische geloofsgemeenschap'' kan ook tot uitdrukking worden gebracht via humanitaire hulpverlening. Indonesiërs die zich in buitenlandse krijgsdienst begeven, verliezen krachtens een wet uit 1958 hun staatsburgerschap. Indonesië is bereid tot internationale samenwerking ter bestrijding van terreur, maar geeft de voorkeur aan stappen in VN-verband. Jakarta ,,hoopt dat acties tegen de plegers van de terreurdaden van 11 september proportioneel en doelgericht zullen zijn, binnen de grenzen van het betamelijke blijven en geen nieuwe humanitaire tragedies veroorzaken''.