Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, ging naar de stad. Hij had daar een nichtje die voor het eerst op kamers woonde. Op een verjaardag had hij gehoord dat het kind, ze was achttien, geen douche had. Daar zou hij iets aan doen. Zijn nichtje zou voortaan frisgewassen uit de douche komen die haar oom voor haar zou maken. Hij schreef de bouwmaterialen op die ze in de stad moest bestellen, en toen dat binnen was en het nichtje dat naar tweehoog had gesjouwd, stuurde ze hem een ansicht dat hij kon beginnen.

Met de streekbus ging hij naar de stad, waar ze hem al met een doos sigaren stond op te wachten. Daarna ging ze naar haar werk. Mijn vader had het naar zijn zin. Hij ging iets moois voor haar metselen. Toen de muurtjes bijna stonden, ging hij tussen de middag in café de Vijgenboom zijn brood opeten. Het was er heel stil. De baas ging bij hem zitten en vertelde over de stad. Mijn vader vertelde over de streek waar hij woonde. Er kwam nog een man bijzitten die een borreltje bestelde voor alle drie. ,,Dat spulletje drink ik nooit overdag'', zei mijn vader, maar om niet onaardig te zijn sloeg hij het achterover, net als de andere twee.

Toen het nichtje thuiskwam zag ze mijn vader nergens. Wel een douche, die er prachtig uitzag. Maar de opening was zo ontzettend smal dat zij er niet eens door kon. Ze keek door de spleet en zag mijn vader met opgetrokken knieën op het vloertje een sigaar zitten roken. ,,Meisje'', zei hij, ,,het ging zo lekker, dat ik de tijd vergat en mezelf per ongeluk heb ingemetseld.''