Het dreunt tot schrik en stille blik

Een op de twintig Nederlanders overweegt wel eens zijn jeugdbelevenissen te boek te stellen, maar zelden haalt de tekst de drukker. Al na enkele pagina's in het Hema-schrijfblok blijken de beslommerde kinderjaren op papier toch minder levensecht dan in de eigen herinnering. Schrijven blijkt zorgvuldig vormgeven, en dat is een vak.

Nelleke Noordervliet zou daar geen moeite mee mogen hebben. In haar proza zijn de taal en compositie doorgaans in beheerste handen. Noordervliets stijl is niet lyrisch, maar efficiënt, zoals het een verteller betaamt. Hoe komt het dan dat in haar nieuwe novelle, Een vlaag van troost, die degelijkheid ontbreekt?

Aan het verhaal ligt het niet. Dat is zo onwrikbaar triest als het leven anno 1951 in Rotterdam. Uitzichtloos was dat, zeker in het kleinburgerlijke milieu dat Nelleke Noordervliet beschrijft. Ze schetst het pietluttige huwelijk van Henk, chef zetterij, en Bep, die tegen beter weten in de zorgzame huisvrouw speelt. Veel avontuur is er niet in hun leven, behalve het koffiedrinken en kaarten op zondag met hun kinderen en met Beps jongste broer en diens vrouw. Er is ook een meisje bij, een kind van dochter Francien; maar dat meisje heeft geen naam en lijkt ook geen rol van betekenis te spelen. `Het kind' noemt Noordervliet haar. Ze ontdekt de wereld een beetje, maar het meeste ontgaat haar nog. Niettemin is zij het onderwerp van de Epiloog, en daarin blijkt dat de beschreven stadswijk de buurt van de schrijfster was, en zij dat kind.

Zonder plot is er geen verhaal. In Een vlaag van troost richt die plot zich op een zeeman, die dochter Truus te hulp schiet als ze verward op zoek is naar haar kind dat omkwam in de vlammenzee van het bombardement. Truus roept op dat moment om God, en dat wordt dus de naam van die zeeman. God mag ook mee uit eten wanneer Beps broer zijn winst van de Engelse toto met het hele gezelschap verteren wil in het chique restaurant van hotel Atlanta. De zeeman vertelt er zijn levensverhaal, maar niet alles daarvan wordt verstaan en begrepen. Slechts `het kind' ziet hoe de zeeman en Truus elkaar aantrekken. De rest van de familie vermeit zich in het maal, dat eindigt in een groteske klassenstrijd met beter gesitueerde klanten wanneer Henk `Ontwaakt verworpenen der aarde' inzet.

Aan het verhaal ligt het dus niet. De elementen daarvan zijn deugdelijk verstrengeld, en inhoudelijk is er geen gebrek aan diepte. Zoals in haar romans zet Noordervliet in Een vlaag van troost herhaaldelijk vraagtekens bij de benoembaarheid van het menselijk bestaan en beleven. De `naam' is een sleutelbegrip, dat onverhoeds opduikt: als ongevormd woord voor het kind (`dit ben ik, hier en nu'), als `wankel bestel' waarin het moeilijk is een plek te vinden, of als gereedschap voor God, die `een naam van de haak' neemt eer hij gaat vertellen. De voortgang van de novelle is ook vaardig gedoseerd. Er zijn drie delen en een epiloog, en de delen zijn onderverdeeld in hoofdstukjes die het verhaal vanuit steeds andere perspectieven belichten.

Waarom ervaar ik Een vlaag van troost dan als een vleugellamme draak? Het klamme zweet bekroop me al bij lezing van de openingsregels:

De nieuwsberichten! Stilte! Hij kluistert

aan de radio.

Zijn vrouw sluipt rond, veegt wat

beschuitkruim

in haar hand, en stoot een kom omver

tot schrik en stille blik.

Tot schrik en stille blik van deze lezer is Noordervliet aan het dichten geslagen, en ze doet dat met de brede pennenstreek van een prozaïst. Met de bijbehorende breed uitzwaaiende beelden, zoals: grondwater `staat stinkend / als een ochtendplas onder geheven schop'. En het dreunt maar door. Als het armoedige gezelschap de stoep van Atlanta op gaat, `schikt Bert de familie / als een bruid die haar sleep op zijn plaats schopt. / De wind wakkert zijn Prince de Galles-jaspanden aan tot een vlag.' En alsof die jaspanden nog niet dissonant genoeg zijn, draagt het kind `een Cheshire-cat lach om haar mond'.

Nelleke Noordervliet probeert een genre waarin Th. van Os haar in Berliner Lullaby verrassend voorging. Maar waar Van Os de lezer op zijn adem meeneemt, teistert het knullige ritme van Een vlaag van troost het lyrisch trommelvel. En waar Van Os het vulgaire in homerische beeldtaal uitmeet, verzandt de metaforiek bij Noordervliet in ridicule adjectieven, zoals in de beschrijving van het koffiedrinken:

Ze houden de kopjes en schotels beschaafd

voor de borst

en drinken tuitlippig velmelkige koffie

het smaakt hen weer best, Bep

lest niet enkel de dorst maar

zekert hun plek in het wankel bestel van de naam.

Hier klinkt de truttigheid van het NCRV-hoorspel uit de jaren vijftig en zestig. Slechts het tinkelende lepeltje ontbreekt. Wie kort na de Tweede Wereldoorlog in een arbeidersgezin is opgegroeid, of als kind van een kleine middenstander of lagere ambtenaar, zal de sfeer wel herkennen. Maar waarom heeft die mevrouw het zo raar opgeschreven?

Dit is poëzie, dacht Nelleke Noordervliet, en Meulenhoff viel haar bij. Maar poëzie is meer dan dit gehakte proza waarin de schrijfster door ritme en taal stuntelt. Het is onbegrijpelijk dat de uitgever van kwaliteitsdichters zoals K. Michel dit doorgerezen deeg op de markt brengt.

Nelleke Noordervliet: Een vlaag van troost. Meulenhoff, 64 blz. ƒ31,95