Grenzen embryo-onderzoek rekbaar

De Tweede Kamer stemde deze week in met een wetsontwerp dat onderzoek met eicellen, foetussen en embryo's mogelijk maakt. Wat mag er wel en wat mag niet?

Twee keer eerder deed de Nederlandse regering in de laatste twintig jaar een poging om onderzoek met menselijke geslachtscellen, foetussen en embryo's te regelen, maar pas bij de derde keer lukte het haar om de Tweede Kamer er plenair over te laten vergaderen. Ruim twaalf uur debatteerde de Kamer deze week over het wetsontwerp, om uiteindelijk vast te stellen wat vooraf al helder was: een meerderheid van D66, PvdA en VVD gaat akkoord met het voorstel van de ministers Borst (Volksgezondheid) en Korthals (Justitie). CDA, ChristenUnie en SGP wijzen het op principiële gronden van de hand, SP en GroenLinks twijfelen nog. De SP vindt dat het wetsontwerp te weinig garandeert dat het bedrijfsleven geen voordeel kan behalen uit het onderzoek, GroenLinks meent dat er te weinig in wordt verboden.

Het wetsvoorstel kent overigens de nodige verboden: zo mogen embryo's buiten het lichaam niet langer dan veertien dagen groeien, is het combineren van menselijke en dierlijke geslachtscellen niet toegestaan, net zo min als het inplanten van dierlijke embryo's in een mens (en omgekeerd) en mogen embryo's niet worden gebruikt voor het `reproductief' klonen (er mogen dus geen twee of meer identieke mensen mee worden gemaakt). Deze verboden gelden ,,bijna voor de eeuwigheid'', zo stelde Borst gisteren.

Dit geldt zeker niet voor de drie andere activiteiten waarop de wet een rem zet. Zo is kiembaangentherapie, waarbij de veranderingen in het genetisch materiaal blijvend op het nageslacht van een patiënt worden overgedragen, de komende vijf jaar verboden. Daarna kan het verbod met een betrekkelijke eenvoudige procedure (Koninklijk Besluit) worden geschrapt. Na zeven jaar verdwijnt het verbod automatisch. Voor het kweken van embryo's voor wetenschappelijk onderzoek geldt een soortgelijke regeling. Dit is nog verboden, maar dit verbod vervalt over vijf jaar. Maar er kan voor die tijd met een KB een einde aan worden gemaakt. De Kamer schrapt immers de minimumtermijn van drie jaar die Borst en Korthals in het voorstel hadden opgenomen.

Ten slotte is er nog het verbod op handelingen met geslachtscellen en embryo's om het geslacht van de toekomstige foetus (en dus mens) te beïnvloeden. Dit is volgens de wet alleen toegestaan als daarmee ernstige, erfelijk bepaald aandoeningen die alleen bij mannen of enkel bij vrouwen voorkomen kunnen worden voorkomen. Maar een sluitende lijst met aandoeningen wil Borst niet opstellen, zodat het oprekken van de grens zeker niet kan worden uitgesloten. Uiteindelijk wordt het dan misschien toch mogelijk dat ouders een meisje willen (en krijgen) omdat een jongen bijvoorbeeld psychisch te belastend zou zijn.

De wet stelt een groot aantal regels waaraan moet worden voldaan voordat er mag worden gesleuteld aan geslachtscellen, embryo's en foetussen. Belangrijk daarbij is het oogmerk van het onderzoek. Zo moet het onderzoek bij foetussen gericht zijn op verbetering van de diagnostiek, voorkoming en reparatie van ernstige defecten bij de foetus voor de geboorte. Voor onderzoek met embryo's die bij een reageerbuisbevruchting zijn overgebleven geldt een veel ruimere doelstelling: het moet redelijkerwijs kunnen leiden tot nieuwe inzichten op het gebied van de medische wetenschap. Gaat het daarentegen om een daarvoor gekweekt embryo, dan moet het onderzoek zich richten op het verwerven van nieuwe inzichten op het terrein van de onvruchtbaarheid, verbetering van de technieken bij reageerbuisbevruchting, voorkoming van aangeboren afwijkingen en verkrijging van betere resultaten bij transplantaties.

Het onderzoek moet, kortom, gericht zijn op verbetering van de kwaliteit van leven, onder meer door, waar mogelijk, het voorkomen van een handicap (wat op zijn beurt waarschijnlijk kan leiden tot een besparing op de kosten voor de gehandicaptenzorg dit jaar bijna tien miljard gulden). Tijdens het debat weigerden de fracties echter over `de kwaliteit van het leven' als oogmerk te spreken, omdat dit de indruk zou kunnen wekken dat het leven van gehandicapten van mindere kwaliteit is. Ze noemden gezondheidsverbetering het doel.

Met dit wetsontwerp loopt Nederland in Europa, anders dan met de euthanasiewet, niet uit de pas. In veel landen is onderzoek met stamcellen toegestaan. Over de grens van veertien dagen voor een buiten het lichaam levend embryo bestaat internationaal redelijk overeenstemming.